Hoofdstuk 3. Voorlichting en Jeugdbeleid

 

3.1. Aard en organisatie van de voorlichting

 

Een door de overheid als onderdeel van het drugbeleid (zie 1.2.) gestimuleerde voorlichting dient meer in te houden dan overdracht van kennis.

Aan de zijde van de voorlichters zal tevens gedragsbeinvloeding worden nagestreefd. De voorlichting zal een belangrijke bijdrage aan de preventie van druggebruik kunnen leveren.

Maar ook van de zijde van het publiek wordt meer verwacht dan zakelijke informatie. Dit blijkt reeds uit de aandrang waarmee overal om voorlichting over drugs wordt gevraagd. Immers ieder die dat wenst zou zich gemakkelijk de lectuur kunnen verschaffen met behulp waarvan het mogelijk is zich bin-nen korte tijd op dit gebied te orienteren.

Wat het publiek van de voorlichting over drugs verwacht en welke effecten deze voorlichting heeft, hangt af van de samenstelling van de groep die wil worden voorgelicht en van de presentatie van datgene wat de voorlichter wil overbrengen.

Aan een systematische voorlichting moeten derhalve de volgende eisen worden gesteld: ,,

  • 1. Het definieren van doelgroepen.

    2. Het rekening houden met de behoeften van de onderscheiden groepen.

    3. Het hanteren van sociale vaardigheden om de informatie op een op de groep afgestemde wijze te brengen.

    4. Een wel overwogen keuze van de vorm waarin de voorlichting wordt gegeven .

    5. Het inbouwen van mogelijkheden om de resultaten van de voorlichting te evalueren .

  • Ad 1. Wat de doelgroepen betreft, kan onderscheid worden gemaakt tussen beroepsgroepen, groepen bestaande uit ouders, groepen bestaande uit sleutelfiguren zoals leraren, artsen, sociaal-culturele en maatschappelijke werkers, groepen bestaande uit scholieren, uit werkende jongeren of uit bezoekers van jeugdsocieteiten. Voor de z.g. sleutelfiguren kunnen, zoals in verscheidene plaatsen reeds gebeurt, cursussen worden georganiseerd.

    Ad 2. Aan de behoeften in deze diverse groepen liggen onderling sterk verschillende motieven, problemen en vragen ten grondslag. Daarop zal door de voorlichter moeten worden ingegaan.

    Ad 3. Het geven van voorlichting eist naast deskundigheid met betrekking tot het onderwerp van de voorlichting ook deskundigheid in de techniek van voorlichten. Onder 2 werd reeds de mogelijkheid van een opleiding aan sleutelfiguren genoemd.

    Wat de informatie als onderdeel van de voorlichting betreft, deze moet zo objectief mogelijk worden gegeven. Een voorstelling van zaken als zouden alle stoffen even gevaarlijk voor de gebruiker zijn, is ongeloofwaardig en zal ook de rest van de informatie in discrediet brengen.

    Ad 4. De vorm die moet worden gekozen hangt ten nauwste samen met de samenstelling van de groep. Voorlichting kan worden gegeven in de vorm van opleidingscursussen (sleutelfiguren), televisie-uitzendingen, eventueel te verzorgen door teleac en nederlandse onderwijs televisie, radiouitzendingen, films, bandopnamen, folders, brochures, artikelen in kranten en tijdschriften, lezingen en lessen.

    Ad 5. Het effect van de voorlichting zal geevalueerd moeten worden, liefst door een instelling die onafhankelijk werkt van de instanties die zich met voorlichting bezighouden. De werkgroep heeft ook hier gedacht aan een onderzoekinstituut.

    De organisatie en coordinatie van de voorlichting kan geschieden onder verantwoordelijkheid van een overheidsinstelling b.v. een daartoe opgerichte afdeling van een gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst of een onder de wethouder van volksgezondheid of onderwijs ressorterende commissie. Echter ook door de overheid gesubsidieerde instellingen, zoals de Federatie van Instellingen voor de Zorg voor Alcoholisten en andere verslavingszieken (het overkoepelend orgaan van de Medische Consultatie Bureaus voor Alcohol en Drugs), komen in aanmerking.

    3.2. Geen geisoleerde behandeling van het drugsvraagstuk

    Het streven zal er, naar de mening van de werkgroep, uiteindelijk op gericht moeten zijn de voorlichting over drugs onder te brengen in een tot het onderwijsprogramma behorend pakket gezondheidsvoorlichting- en opvoeding. Alleen zo kan worden vermeden dat het druggebruik wordt gelicht uit een geheel van onderling samenhangende leefgewoonten, en een onevenredige aandacht krijgt. Voeding, lichamelijke verzorging, beweging en sport, sociaal gedrag, druggebruik en sex zouden in dit pakket moeten worden opgenomen en op verschillende leeftijden op aan de leeftijdsfase aangepaste wijze kunnen worden behandeld. Juist ook in verband met deze gedachten-gang acht de werkgroep het wenselijk dat de onderwijssector in de drugsadviesmmissie vertegenwoordigd is.

    3.3. Jeugdbeleid

    Herhaaldelijk kwam in de werkgroep de vraag aan de orde, hoe een jeugdbeleid gecreeerd zou kunnen worden, dat voorziet in een weizijnsorganisatie voor jongeren. Besproken werd, dat men tekort zou schieten, als men ten aanzien van het vraagstuk drugs en jongeren slechts zou bepalen, wat niet mag, of wat niet wenselijk is. De werkgroep orienteerde zich, zoals vermeld, in hoorzittingen met de Raad voor de Jeugdvorming en de Salco.

    Jeugdbeleid behoort een geintegreerd onderdeel te zijn van het algemeen weizijnsbeleid. Toch hebben de jongeren t.a.v. zingeving aan hun leven, in de gezinssfeer, in de vrijetijdsbesteding en in hun opleidings- en werkmilieu zoveel specifieke behoeften, dat hieraan speciale aandacht dient te worden besteed .

    Het ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk is thans in samenwerking met verschillende jeugdgroeperingen bezig naast, of in plaats van,vroegergegroeidevoorzieningen nieuwe mogelijkheden te scheppen.

    Zowel op het gebied van sociale dienstverlening en recreatie als op het gebied van welzijnsbeleid dient een vernieuwend jeugdcultuurbeleid te worden nagestreefd.

    Hierbij zal vooral op het locale en regionale vlak moeten worden samengewerkt met gezondheidsdiensten en jeugdbeschermingsinstellingen om tijdig risico’svan een bepaald beleid te signaleren.

    Op de duur zal moeten blijkern in hoeverre locale of regionale jeugdraden, waarin de jeugd aan de beslditvorming kan deelnemen, een moza‹ek van mogelijkheden kan realiseren. Jeugdigen moeten uit zo’n moza‹ek kunnen kiezen datgene wat zij vinden passen bij hun levensstijl. Het verdient aanbeveling de activiteiten van de Jeugdraden te inventariseren en de efficiency van h u n werkzaam heden te onderzoeken . Zo nodig moet het werk van de plaatselijke jeugdraden worden gestimuleerd en uitgebreid. Samenwerking met andere welzijnsorganisaties ter plaatse is hierbij een voorwaarde.