Baan Rapport Deel 1. Analyse van de situatie rondom drugs

Hoofdstuk 1. Risico's en schadelijke gevolgen die in direct verband staan met het gebruik van drugs

1.1. Risico

Onder risico wordt hierna verstaan: kans op een of meer schadelijke gevolgen. De schadelijke gevolgen zullen worden onderverdeeld in schadelijke gevolgen voor het individu en schadelijke gevolgen voor de samenleving. De individuele schade kan van fysieke of van psychische aard zijn. De eerstgenoemde onderverdeling is kunstmatig, daar de belangen van individu en samenleving nauw verweven zijn. De tweede onderverdeling is uit wetenschappelijk oogpunt niet houdbaar, daar moet worden aangenomen dat psychische schade die het gevolg is van gebruik van een drug, veelal berust op neurofysiologische processen, dus een somatische basis heeft, al is over deze processen nog niet veel bekend. Laatstgenoemde indeling wordt dan ook alleen om redenen van overzichtelijkheid gevolgd.

1.2. Afhankelijkheid van drugs

Aan het gebruik van drugs is een gemeenschappelijk specifiek risico verbonden: de afhankelijkheid van drugs. De W.H.O. (rapport van het Expert Committee on Drug Dependence, verschenen in 1969) definieert afhankelijkheid van drugs als:

'Een psychische of soms fysieke toestand, resulterend uit de interactie tussen een levend organisme en een "drug" die wordt gekenmerkt door gedragingen die altijd een dwang inhouden om de drug voortdurend of periodiek te nemen, teneinde zijn psychische effecten te ervaren en soms de onlust van zijn afwezigheid te vermijden.'

1.3. Fysieke schade

De fysieke schade die door het gebruik van een drug kan ontstaan, hangt samen met een proces dat door het gebruik van die drug op gang wordt gebracht. Dit proces, waarin factoren van lichamelijke, psychische en sociale aard afzonderlijk of in combinatie een rol spelen, zal hier in het kort worden beschreven.

Het chronisch gebruik van sommige drugs kan lichamelijke afhankelijkheid teweegbrengen. Deze lichamelijke afhankelijkheid is veelal het gevolg van de gewenning die optreedt bij gebruik van die drug.

1.3.1. Onder gewenning (tolerantie) wordt verstaan het verschijnsel dat een bepaald effect van eenzelfde dosis van een stof bij herhaald gebruik in intensiteit afneemt. Verhoging van de dosis kan tijdelijk het begeerde psychische effect van de drug alsnog teweegbrengen.

Het lichaam verliest zijn gevoeligheid voor de verschillende werkingen van een stof echter niet in gelijke mate, zodat bij verhoging van de dosis de voor het lichaam schadelijke effecten, zoals ademremming of verstoring van het hartritme, kunnen worden versterkt. Hierdoor kunnen ernstige functiestoornissen optreden met kans op een dodelijke afloop b.v. door ademstilstand of cardiovasculaire collaps.

Bij gebruik van bepaalde drugs treedt kruisgewenning op voor de psychotrope effecten van andere drugs.

Gewenning ontstaat bij alle morfinomimetica, amfetaminen, barbituraten, bij sommige sedativa en misschien bij sommige tranquillizers.

1.3.2. Ten gevolge van gewenning treedt meestal lichamelijke afhankelijkheid op. Het lichaam wordt voor 'normaal' functioneren afhankelijkvan de drug. Staking van het gebruik leidt dan tot ernstige ziekteverschijnselen, het zogenaamde abstinentiesyndroom.

Het farmacologisch mechanisme van gewenning en lichamelijke afhankelijkheid is niet precies bekend. Wel is aangetoond dat sommige middelen, b.v. de barbituraten, het lichaam tot meervorming van enzymen stimuleren waardoor het middel sneller wordt afgebroken. Men neemt echter aan dat naast deze metabole gewenning, bij de meeste drugs weefselgewenning een belangrijke rol speelt. Cellulaire of weefselgewenning zou dan een proces zijn waardoor de reactie van zenuwcellen op bepaalde prikkels verandert. De wetenschap bevindt zich op dit gebied echter nog in het stadium van theorie-vorming. (1)

Gewenning blijkt niet noodzakelijkerwijze tot lichamelijke afhankelijkheid te leiden. Zo ontstaat bij het gebruik van L.S.D. geen fysieke afhankelijkheid, terwijl m.b.t. het gebruik van amfetaminen meningsverschil heerst over de oorzaken van uitputting en honger die optreden na staking van het gebruik.

(Deze verschijnselen zouden het gevolg kunnen zijn van een tekort aan slaap en van ondervoeding.) Anderzijds kan ook lichamelijke afhankelijkheid van een stof ontstaan zonder dat van gewenning mag worden gesproken. Dit is met name het geval bij alcoholmisbruik.

1.3.3. Vooral de gebruiker van opiaten die de psychotrope werking van de drug niet wil of kan missen (zie 1.3.6., psychische afhankelijkheid), loopt de kans snel in een vicieuze cirkel te geraken. De gewenning kan aanleiding geven tot hogere doseringen, eventueel tot intraveneus gebruik en de wens de onthoudingsverschijnselen, die meestal optreden bij staking van het gebruik, te vermijden of te beeindigen, versterken weer zijn hunker naar het middel.

Op den duur is het begeerde psychische effect helemaal niet meer te bereiken en wordt het gebruik alleen gecontinueerd om de onthoudingsverschijnselen tegen te gaan.

Amfetaminen worden soms gecombineerd met barbituraten teneinde de depressies die na of tijdens het amfetaminegebruik optreden, te ontgaan. Deze combinatie is bijzonder riskant en therapeutisch vrijwel niet te beinvloeden.

1.3.4. In de werkgroep kwam de vraag aan de orde of er een predispositie bestaat voor het excessief gebruik van een bepaalde drug. Sommige deskundigen nemen een dergelijke predispositie aan, andere verwerpen deze hypothese.

Ook over de aard van die eventuele predispositie bestaat geen eenstemmigheid. De werkgroep zou in dit verband willen spreken van groepen met een verhoogd risico ten aanzien van excessief gebruik van drugs. Dit verhoogde risico is het gevolg van de ontwikkeling van de persoonlijkheid, de constitutioneel bepaalde gevoeligheid voor bepaalde drugs en de maatschappelijke situatie, of een combinatie van deze factoren.

Het spreekt vanzelf dat voor het ontstaan van excessief druggebruik, de beschikbaarheid van het middel een belangrijke factor is.

1.3.5. Onder 1.2. werd gesteld dat aan het gebruik van drugs een gemeenschappelijk specifiek risico is verbonden, t.w. de afhankelijkheid van drugs.

Besproken werd hoe bij gebruik van bepaalde drugs via gewenning die tot hogere doseringen met voor het lichaam schadelijke effecten leidt, lichamelijke afhankelijkheid kan ontstaan, waardoor de gebruiker in een vicieuze cirkel terecht komt.

Als belangrijke voorwaarde voor chronisch druggebruik, ook als het gaat om fysieke afhankelijkheid teweegbrengende drugs, werd echter toch de psychische afhankelijkheid van de drug gezien.

1.3.6. Psychische afhankelijkheid behoeft op zich zelf niet schadelijk of zorgwekkend te zijn. Alle mensen zijn zowel voor hun fysiek als voor hun psychisch welzijn afhankelijk van contacten met hun medemensen. De meeste mensen zijn daarnaast min of meer afhankelijk van bepaalde activiteiten en zaken, zoals arbeid, televisiekijken, verzamelen, sport beoefenen, geld, boeken, snoep. Uit dit vrij willekeurige rijtje blijkt echter dat psychische afhankelijkheid van andere zaken dan drugs soms ook lichamelijke schade kan veroorzaken. Gedacht wordt aan het gebruik van te veel suiker, of nog ruimer: verkeerde voedingsgewoonten in het algemeen, die tegen beter weten in (dwangmatig) worden voortgezet.

1.3.7. Tot de somatische schade moet ook gerekend worden schade toegebracht aan chromosomen. Het Rijksinstituut Volksgezondheid dat in februari 1971 het eindrapport van een onderzoek 'De invioed van L.S.D. op chromosomen' uitbracht (niet gepubliceerd), concludeert 'dat L.S.D. in vivo een chromosoombeschadigende, of algemener een mutagene werking heeft'.

De conclusie van een recente publicatie in Science (2), waarin 68 onderzoekingen verricht gedurende de laatste vier jaar, betreffende de schadelijke bijwerking van L.S.D. worden geordend en critisch met elkaar worden vergeleken, luidt dat zuivere L.S.D., toegediend in de gebruikelijke hoeveelheid, geen breuken in de chromosomen en geen aantoonbare genetische schade veroorzaakt. Evenmin zijn er aanwijzingen gevonden dat L.S.D. carcinogeen of teratogeen werkt.

1.3.8. Het chronisch gebruik van drugs kan ook schade voor de lichamelijke gezondheid van de gebruiker veroorzaken die niet het directe gevolg is van de werking van de drug.

Ook bestaat het gevaar van luchtembolie.

1.3.9. Samenvatting m.b.t. de fysieke schade. De somatische schade die wordt veroorzaakt door het gebruik van drugs, is afhankelijk van de dosis en frequentie en tot op zekere toogte van de gevoeligheid van het individu. Vrijwel alle psychotrope stoffen beinvtoeden in vrij sterke mate vooral het vegetatieve zenuwstelsel; deze invloed is verhoudingsgewijs gering bij nicotine en coffeïne. Gebruik bij wijze van drug (zie definitie) van middelen die een sterke gewenning teweegbrengen, zoals alle morfinomimetica, sommige sedativa en waarschijnlijk sommige tranquillizers levert het risico van overdosering of te langdurig gebruik op. Het gevaar van overdosering dreigt in het bijzonder bij intraveneus gebruik. Dit komt voor bij morfine, heroïne en amfetamine. Tabak neemt in zoverre een afzonderlijke plaats in dat bij het gebruik zeer gemakkelijk een sterke psychische afhankelijkheid ontstaat, terwijl somatische schade na jaren van chronisch roken optreedt.

1.4. Psychische schade als direct gevolg van het gebruik van drugs

Op de psychische schade die indirect het gevolg kan zijn van druggebruik, zal onder het hoofdstuk subcultuur nader worden ingegaan.

1.4.1. Als psychische schade tengevolge van druggebruik moeten in elk geval worden beschouwd: Psychosen en psychotische verschijnselen, hevige paniekreacties met neiging tot zelfmoord en invaliderende persoonlijkheidsveranderingen.

Psychosen van tijdelijke of semipermanente aard en hevige paniekreacties kunnen ontstaan tengevolge van het gebruik van L.S.D. (mescaline, psylocy-bine) en amfetaminen. Bij gebruik van L.S.D. kunnen dagen, weken of zelfs maanden na het laatste gebruik opnieuw psychotische verschijnselen optreden (flash back).

1.4.2. Wordt reeds met betrekking tot de lichamelijke effecten van drugs (en medicamenten in het algemeen) de werking niet alleen bepaald door de farmacologische eigenschappen, de gebruikte dosis en de frequentie, maar ook door de gevoeligheid van de individuele gebruiker, dit geldt in nog veel sterkere mate ten aanzien van de psychische effecten van het druggebruik.

De persoonlijkheidsstructuur van de gebruiker, maar evenzeer zijn stemming op het moment van het gebruik, zijn verwachtingen omtrent de werking van de stof, de sfeer waarin hij de drug gebruikt en de houding van de daarbij aanwezigen, zijn van grote invloed op de werking van de stof op de psyche. Daar er zoveel variabelen in het spel zijn, kunnen de psychische reacties van een bepaald individu op een bepaalde drug niet of nauwelijks worden voorspeld. Ten aanzien van het psychische effect van L.S.D. kan bovendien gesteld worden dat dit soms geheel onafhankelijk van de gebruikte dosis optreedt.

1.4.3. Moeilijker te beantwoorden is de vraag of milde vormen van bewustzijnsveranderingen en wijzigingen in de gemoedsstemming die optreden ten gevolge van het roken van cannabisproducten zoals marihuana en hashish, en matig gebruik van alcohol, als psychische schade moeten worden aangemerkt.

Hoe men deze bewustzijnsveranderingen waardeert, hangt af van de levensbeschouwing van de beoordelaar en het mensbeeld dat hem als ideaal voor ogen staat. Schlemper (3) schrijft: 'Dagelijks gebruik van niet onaanzienlijke hoeveelheden hennepproducten gaat post aut propter nogal eens samen met verminderde activiteit. Of men dit als indolentie verwerpt dan wel als contemplatieve instelling verheerlijkt, is een persoonlijke stellingname'.

Daarnaast dient erop te worden gewezen dat schommelingen in de wijze waarop het bewustzijn functioneert zich bij ieder mens ook zonder druggebruik voordoen, zodat men deze op zichzelf niet als abnormaal of schadelijk behoeft te beschouwen. In dromen, maar ook in dagdromen die vrij algemeen voorkomen, bij het lezen, het kijken naar televisie, film of toneel kunnen bepaalde functies van het bewustzijn worden uitgeschakeld en bepaalde emoties worden geïntensiveerd. Het associatief denken, dat overigens als onderstroom altiid aanwezig is, kan voor enige tijd het strikt logisch denken verdringen. Dit alles ligt binnen de cirkel van het normaal psychisch functioneren. Denken in symbolen , fantaseren , associëren en gericht logisch denken komen in wisselende combinaties bij hetzelfde individu voor, afhankelijk van de situatie waarin hij zich bevindt, maar variëren ook onderling in sterkte van individu tot individu.

In dit verband dient ook melding te worden gemaakt van het placebo-effect, een effect dat kan optreden bij het innemen van een niet werkzame stof, indien de gebruiker van deze stof in de veronderstelling verkeert dat deze wel werkzaam is en bepaalde verwachtingen omtrent de uitwerking koestert. Bij het gebruik van niet werkzame stoffen die voor cannabisproducten werden aangezien, kon dit effect herhaaldelijk worden geconstateerd.

1.4.4. Na het roken van hashish en marihuana treden meestal storingen in het 'korte geheugen' op. Waarschijnlijk houden hiermee ook verband het gewijzigde tijdsbeleven en het veranderde associatiepatroon dat de gebruikers vermelden.

De meeste rokers worden in de eerste fase vrolijk, lacherig en praatlustig. Deze fase wordt ook wel lach-kick genoemd. Later kan een fase van rustige contemplatie of ook wel van versuffing intreden. Van Praag (4) schrijft dat geen eenstemmigheid bestaat over de vraag of onder invloed van cannabisproducten al dan niet stoornissen ontstaan in de coördinatie van de spierbeweging, de aandachtsconcentratie en de zintuiglijke waarneming. De meeste rapporten vermelden echter wel veranderingen in de zintuiglijke perceptie en in het gevoel voor ruimte en tijd.

Paniekreacties komen wel eens voor, evenals depressies. Deze toestanden duren kort, ze zijn nl. gebonden aan de aanwezigheid van de werkzame stof in het lichaam en ebben spoedig na het stoppen van het gebruik weer weg (4). Deze ervaringen en de vervalsingen van de zintuiglijke waarnemingen grijpen echter niet zo diep aan als dientengevolgevan b.v. L.S.D.-gebruik (5).

1.4.5. Gesteld wordt wel eens dat het effect van matig gebruik van een cannabisproduct gelijk is aan het effect van overmatig gebruik van alcohol. Bij alcohol zouden niet het zoeken van de roes, maar het sociaal aspect en de smaak de belangrijkste factoren zijn, terwijl bij het roken van marihuana of hashish het 'high' worden centraal zou staan. De werkgroep meent dat het onderscheid niet zo scherp is als door sommige deskundigen wordt aangenomen. Immers niet voor niets worden alcoholhoudende dranken als 'social drink' gebruikt (6). Het woord 'social' duidt op de functie die bestaat in het bevorderen van contact tussen de gebruikers tengevolge van de licht ontremmende werking. In het onderzoek van Gadourek (7) naar de drinkgewoonten in Nederland gaven opvallend weinig personen op terwille van de euforie of psychische nawerking te drinken. Het meest opgegeven motief was gezelligheid, hoewel tevens uit het onderzoek blijkt dat een op de zes volwassen Nederlanders wel eens drinkt tot hij of zij de bedwelmende effecten van alcohol ondervindt. De euforie is dan het meest voorkomende effect.

Het feit overigens dat naar de mening van de regering, daarin voorgelicht door deskundigen, bij een bloedalcoholgehalte boven 0,5% deelneming aan het verkeer een duidelijk vergrote gevarenkans oplevert (8), duidt er reeds op dat de stoornissen in de psychische en motorische functies die optreden tengevolge van het gebruik van een sociaal geaccepteerde hoeveelheid alcohol, niet onaanzienlijk wordt geacht.

Misschien moet men stellen dat bij alcoholgebruik de gezelligheid op de voorgrond staat, maar de euforie toch ook niet een te verwaarlozen factor is, terwijl bij het gebruik van hashish en marihuana een zwaarder accent op de euforie valt, maar de gezelligheid eveneens een belangrijke rol speelt.

1.4.6. Zoals reeds eerder werd gesteld, is aan elk druggebruik een specifiek risico verbonden, de psychische afhankelijkheid.

Deze afhankelijkheid kan leiden tot preoccupatie met de drug en vooral met het bemachtigen van voldoende hoeveelheden ervan.

De preoccupatie kan soms zo intens zijn dat er geen energie voor andere activiteiten overblijft. Een dergelijke preoccupatie moet als psychische schade worden beschouwd.

1.4.7. In de sfeer van de individuele psychische schade rest nog de vraag betreffende de invaliderende persoonlijkheidsveranderingen.

Excessief alcoholgebruik leidt niet alleen tot lichamelijke, maar ook tot geestelijke invaliditeit.

Met betrekking tot alle drugs geldt dat de onder 1.4.6. vermelde preoccupatie een vertraging in de geestelijke ontwikkeling teweeg kan brengen. Adolescenten in het bijzonder geraken daardoor in de ongunstige situatie dat de maatschappelijke achterstand soms niet meer of slechts ten koste van grote offers kan worden ingehaald en daardoor een blijvende handicap vormt.

Deze maatschappelijke handicap heeft vervolgens weer repercussies op de geestelijke ontwikkeling.

Wat de intrinsieke eigenschappen van cannabis aangaat, zijn de meningen zeer verdeeld. Tegenover de opvatting dat regelmatig cannabisgebruik leidt tot inertie en apathie als gevolg van de werking van deze stof, staat de mening van onderzoekers die een dergelijke verandering in de persoonlijkheidsstructuur van regelmatige gebruikers niet hebben kunnen constateren.

Aan cannabis zal nog een afzonderlijk onderdeel worden gewijd waarin uitvoeriger op de verschillende aspecten zal worden ingegaan en ook aan de steppingstone-theorie aandacht zal worden besteed.

1.5. Schade voor de samenleving als gevolg van het gebruik van drugs

Het gevaar van alcohol in het verkeer geeft een aanwijzing, onderwelke omstandigheden bewustzijnsveranderingen tengevolge van druggebruik in elk geval als een risico voor de samenleving moeten worden beschouwd. Wanneer intensieve naar buiten gerichte oplettendheid, snel reageren en beheersing van de motoriek zijn vereist, zoals in het verkeer en in arbeidssituaties waarbij b.v. apparatuur moet worden bediend, kan de bewustzijnsverandering de prestaties nadelig beïnvioeden, soms zelfs zodanig dat het leven van de gebruiker of van zijn medemensen wordt bedreigd.

(1) W. Lammers; Farmacologisch mechanisme van verslaving en gewenning, In: W.

K. van Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand, Bussum 1970. p.

107- 112.

(2) Science 30 april 1971, vol.172, no.3982, p.431.

(3) M. S. H. Schlemper, Stellingname ten aanzien van het gebruik van drugs, Medisch Contact,28 mei 1971,26e jrg. nr. 21, p. 583.

(4) H. M. van Praag, Marihuana, Folklore en wetenschap, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,13 febr.1971,115e jrg., nr.7, p.270.

(5) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, druggebruik en druggebruikers, Maandblad van het nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14 jrg., p. 51.

(6) E. J. Ariëns, Drugs en druggebruik, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 13 febr.1971,115e jrg., nr. 7, p. 281.

(7) J. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn, J. B. Wolters, Groningen 1963, p.p.117,118,119.

(8) Ontwerp Wijziging van de Wegenverkeerswet, no. 10.038, Memorie van toelichting, blz.5, onder 3.