Onder risico wordt hierna verstaan: kans op een of meer schadelijke gevolgen. De schadelijke gevolgen zullen worden onderverdeeld in schadelijke gevolgen voor het individu en schadelijke gevolgen voor de samenleving. De individuele schade kan van fysieke of van psychische aard zijn. De eerstgenoemde onderverdeling is kunstmatig, daar de belangen van individu en samenleving nauw verweven zijn. De tweede onderverdeling is uit wetenschappelijk oogpunt niet houdbaar, daar moet worden aangenomen dat psychische schade die het gevolg is van gebruik van een drug, veelal berust op neurofysiologische processen, dus een somatische basis heeft, al is over deze processen nog niet veel bekend. Laatstgenoemde indeling wordt dan ook alleen om redenen van overzichtelijkheid gevolgd.
Aan het gebruik van drugs is een gemeenschappelijk specifiek risico verbonden: de afhankelijkheid van drugs. De W.H.O. (rapport van het Expert Committee on Drug Dependence, verschenen in 1969) definieert afhankelijkheid van drugs als:
'Een psychische of soms fysieke toestand, resulterend uit de interactie tussen een levend organisme en een "drug" die wordt gekenmerkt door gedragingen die altijd een dwang inhouden om de drug voortdurend of periodiek te nemen, teneinde zijn psychische effecten te ervaren en soms de onlust van zijn afwezigheid te vermijden.'
De fysieke schade die door het gebruik van een drug kan ontstaan, hangt samen met een proces dat door het gebruik van die drug op gang wordt gebracht. Dit proces, waarin factoren van lichamelijke, psychische en sociale aard afzonderlijk of in combinatie een rol spelen, zal hier in het kort worden beschreven.
Het chronisch gebruik van sommige drugs kan lichamelijke afhankelijkheid teweegbrengen. Deze lichamelijke afhankelijkheid is veelal het gevolg van de gewenning die optreedt bij gebruik van die drug.
1.3.1. Onder gewenning (tolerantie) wordt
verstaan het verschijnsel dat een bepaald effect van eenzelfde
dosis van een stof bij herhaald gebruik in intensiteit afneemt.
Verhoging van de dosis kan tijdelijk het begeerde psychische
effect van de drug alsnog teweegbrengen.
Het lichaam verliest zijn gevoeligheid voor de verschillende werkingen van een stof echter niet in gelijke mate, zodat bij verhoging van de dosis de voor het lichaam schadelijke effecten, zoals ademremming of verstoring van het hartritme, kunnen worden versterkt. Hierdoor kunnen ernstige functiestoornissen optreden met kans op een dodelijke afloop b.v. door ademstilstand of cardiovasculaire collaps.
Bij gebruik van bepaalde drugs treedt kruisgewenning op voor de psychotrope effecten van andere drugs.
Gewenning ontstaat bij alle morfinomimetica,
amfetaminen, barbituraten, bij sommige sedativa en misschien bij
sommige tranquillizers.
1.3.2. Ten gevolge van gewenning treedt meestal
lichamelijke afhankelijkheid op. Het lichaam wordt voor 'normaal'
functioneren afhankelijkvan de drug. Staking van het gebruik
leidt dan tot ernstige ziekteverschijnselen, het zogenaamde
abstinentiesyndroom.
Het farmacologisch mechanisme van gewenning en lichamelijke afhankelijkheid is niet precies bekend. Wel is aangetoond dat sommige middelen, b.v. de barbituraten, het lichaam tot meervorming van enzymen stimuleren waardoor het middel sneller wordt afgebroken. Men neemt echter aan dat naast deze metabole gewenning, bij de meeste drugs weefselgewenning een belangrijke rol speelt. Cellulaire of weefselgewenning zou dan een proces zijn waardoor de reactie van zenuwcellen op bepaalde prikkels verandert. De wetenschap bevindt zich op dit gebied echter nog in het stadium van theorie-vorming. (1)
Gewenning blijkt niet noodzakelijkerwijze tot lichamelijke afhankelijkheid te leiden. Zo ontstaat bij het gebruik van L.S.D. geen fysieke afhankelijkheid, terwijl m.b.t. het gebruik van amfetaminen meningsverschil heerst over de oorzaken van uitputting en honger die optreden na staking van het gebruik.
(Deze verschijnselen zouden het gevolg kunnen
zijn van een tekort aan slaap en van ondervoeding.) Anderzijds
kan ook lichamelijke afhankelijkheid van een stof ontstaan zonder
dat van gewenning mag worden gesproken. Dit is met name het geval
bij alcoholmisbruik.
1.3.3. Vooral de gebruiker van opiaten die de
psychotrope werking van de drug niet wil of kan missen (zie
1.3.6., psychische afhankelijkheid), loopt de kans snel in een
vicieuze cirkel te geraken. De gewenning kan aanleiding geven tot
hogere doseringen, eventueel tot intraveneus gebruik en de wens
de onthoudingsverschijnselen, die meestal optreden bij staking
van het gebruik, te vermijden of te beeindigen, versterken weer
zijn hunker naar het middel.
Op den duur is het begeerde psychische effect helemaal niet meer te bereiken en wordt het gebruik alleen gecontinueerd om de onthoudingsverschijnselen tegen te gaan.
Amfetaminen worden soms gecombineerd met barbituraten teneinde de depressies die na of tijdens het amfetaminegebruik optreden, te ontgaan. Deze combinatie is bijzonder riskant en therapeutisch vrijwel niet te beinvloeden.
1.3.4. In de werkgroep kwam de vraag aan de
orde of er een predispositie bestaat voor het excessief gebruik
van een bepaalde drug. Sommige deskundigen nemen een dergelijke
predispositie aan, andere verwerpen deze hypothese.
Ook over de aard van die eventuele predispositie bestaat geen eenstemmigheid. De werkgroep zou in dit verband willen spreken van groepen met een verhoogd risico ten aanzien van excessief gebruik van drugs. Dit verhoogde risico is het gevolg van de ontwikkeling van de persoonlijkheid, de constitutioneel bepaalde gevoeligheid voor bepaalde drugs en de maatschappelijke situatie, of een combinatie van deze factoren.
Het spreekt vanzelf dat voor het ontstaan van
excessief druggebruik, de beschikbaarheid van het middel een
belangrijke factor is.
1.3.5. Onder 1.2. werd gesteld dat aan het
gebruik van drugs een gemeenschappelijk specifiek risico is
verbonden, t.w. de afhankelijkheid van drugs.
Besproken werd hoe bij gebruik van bepaalde drugs via gewenning die tot hogere doseringen met voor het lichaam schadelijke effecten leidt, lichamelijke afhankelijkheid kan ontstaan, waardoor de gebruiker in een vicieuze cirkel terecht komt.
Als belangrijke voorwaarde voor chronisch
druggebruik, ook als het gaat om fysieke afhankelijkheid
teweegbrengende drugs, werd echter toch de psychische
afhankelijkheid van de drug gezien.
1.3.6. Psychische afhankelijkheid behoeft op
zich zelf niet schadelijk of zorgwekkend te zijn. Alle mensen
zijn zowel voor hun fysiek als voor hun psychisch welzijn
afhankelijk van contacten met hun medemensen. De meeste mensen
zijn daarnaast min of meer afhankelijk van bepaalde activiteiten
en zaken, zoals arbeid, televisiekijken, verzamelen, sport
beoefenen, geld, boeken, snoep. Uit dit vrij willekeurige rijtje
blijkt echter dat psychische afhankelijkheid van andere zaken dan
drugs soms ook lichamelijke schade kan veroorzaken. Gedacht wordt
aan het gebruik van te veel suiker, of nog ruimer: verkeerde
voedingsgewoonten in het algemeen, die tegen beter weten in
(dwangmatig) worden voortgezet.
1.3.7. Tot de somatische schade moet ook
gerekend worden schade toegebracht aan chromosomen. Het
Rijksinstituut Volksgezondheid dat in februari 1971 het
eindrapport van een onderzoek 'De invioed van L.S.D. op
chromosomen' uitbracht (niet gepubliceerd), concludeert 'dat
L.S.D. in vivo een chromosoombeschadigende, of algemener een
mutagene werking heeft'.
De conclusie van een recente publicatie in Science (2), waarin 68 onderzoekingen verricht gedurende de laatste vier jaar, betreffende de schadelijke bijwerking van L.S.D. worden geordend en critisch met elkaar worden vergeleken, luidt dat zuivere L.S.D., toegediend in de gebruikelijke hoeveelheid, geen breuken in de chromosomen en geen aantoonbare genetische schade veroorzaakt. Evenmin zijn er aanwijzingen gevonden dat L.S.D. carcinogeen of teratogeen werkt.
1.3.8. Het chronisch gebruik van drugs kan ook
schade voor de lichamelijke gezondheid van de gebruiker
veroorzaken die niet het directe gevolg is van de werking van de
drug.
Ook bestaat het gevaar van luchtembolie.
1.3.9. Samenvatting m.b.t. de fysieke schade.
De somatische schade die wordt veroorzaakt door het gebruik van
drugs, is afhankelijk van de dosis en frequentie en tot op zekere
toogte van de gevoeligheid van het individu. Vrijwel alle
psychotrope stoffen beinvtoeden in vrij sterke mate vooral het
vegetatieve zenuwstelsel; deze invloed is verhoudingsgewijs
gering bij nicotine en coffeïne. Gebruik bij wijze van drug (zie
definitie) van middelen die een sterke gewenning teweegbrengen,
zoals alle morfinomimetica, sommige sedativa en waarschijnlijk
sommige tranquillizers levert het risico van overdosering of te
langdurig gebruik op. Het gevaar van overdosering dreigt in het
bijzonder bij intraveneus gebruik. Dit komt voor bij morfine,
heroïne en amfetamine. Tabak neemt in zoverre een afzonderlijke
plaats in dat bij het gebruik zeer gemakkelijk een sterke
psychische afhankelijkheid ontstaat, terwijl somatische schade na
jaren van chronisch roken optreedt.
Op de psychische schade die indirect het gevolg kan zijn van druggebruik, zal onder het hoofdstuk subcultuur nader worden ingegaan.
1.4.1. Als psychische schade tengevolge van
druggebruik moeten in elk geval worden beschouwd: Psychosen en
psychotische verschijnselen, hevige paniekreacties met neiging
tot zelfmoord en invaliderende persoonlijkheidsveranderingen.
Psychosen van tijdelijke of semipermanente aard
en hevige paniekreacties kunnen ontstaan tengevolge van het
gebruik van L.S.D. (mescaline, psylocy-bine) en amfetaminen. Bij
gebruik van L.S.D. kunnen dagen, weken of zelfs maanden na het
laatste gebruik opnieuw psychotische verschijnselen optreden
(flash back).
1.4.2. Wordt reeds met betrekking tot de
lichamelijke effecten van drugs (en medicamenten in het algemeen)
de werking niet alleen bepaald door de farmacologische
eigenschappen, de gebruikte dosis en de frequentie, maar ook door
de gevoeligheid van de individuele gebruiker, dit geldt in nog
veel sterkere mate ten aanzien van de psychische effecten van het
druggebruik.
De persoonlijkheidsstructuur van de gebruiker,
maar evenzeer zijn stemming op het moment van het gebruik, zijn
verwachtingen omtrent de werking van de stof, de sfeer waarin hij
de drug gebruikt en de houding van de daarbij aanwezigen, zijn
van grote invloed op de werking van de stof op de psyche. Daar er
zoveel variabelen in het spel zijn, kunnen de psychische reacties
van een bepaald individu op een bepaalde drug niet of nauwelijks
worden voorspeld. Ten aanzien van het psychische effect van
L.S.D. kan bovendien gesteld worden dat dit soms geheel
onafhankelijk van de gebruikte dosis optreedt.
1.4.3. Moeilijker te beantwoorden is de vraag
of milde vormen van bewustzijnsveranderingen en wijzigingen in de
gemoedsstemming die optreden ten gevolge van het roken van
cannabisproducten zoals marihuana en hashish, en matig gebruik
van alcohol, als psychische schade moeten worden aangemerkt.
Hoe men deze bewustzijnsveranderingen
waardeert, hangt af van de levensbeschouwing van de beoordelaar
en het mensbeeld dat hem als ideaal voor ogen staat. Schlemper
(3) schrijft: 'Dagelijks gebruik van niet onaanzienlijke
hoeveelheden hennepproducten gaat post aut propter nogal eens
samen met verminderde activiteit. Of men dit als indolentie
verwerpt dan wel als contemplatieve instelling verheerlijkt, is
een persoonlijke stellingname'.
Daarnaast dient erop te worden gewezen dat
schommelingen in de wijze waarop het bewustzijn functioneert zich
bij ieder mens ook zonder druggebruik voordoen, zodat men deze op
zichzelf niet als abnormaal of schadelijk behoeft te beschouwen.
In dromen, maar ook in dagdromen die vrij algemeen voorkomen, bij
het lezen, het kijken naar televisie, film of toneel kunnen
bepaalde functies van het bewustzijn worden uitgeschakeld en
bepaalde emoties worden geïntensiveerd. Het associatief denken,
dat overigens als onderstroom altiid aanwezig is, kan voor enige
tijd het strikt logisch denken verdringen. Dit alles ligt binnen
de cirkel van het normaal psychisch functioneren. Denken in
symbolen , fantaseren , associëren en gericht logisch denken
komen in wisselende combinaties bij hetzelfde individu voor,
afhankelijk van de situatie waarin hij zich bevindt, maar
variëren ook onderling in sterkte van individu tot individu.
In dit verband dient ook melding te worden
gemaakt van het placebo-effect, een effect dat kan optreden bij
het innemen van een niet werkzame stof, indien de gebruiker van
deze stof in de veronderstelling verkeert dat deze wel werkzaam
is en bepaalde verwachtingen omtrent de uitwerking koestert. Bij
het gebruik van niet werkzame stoffen die voor cannabisproducten
werden aangezien, kon dit effect herhaaldelijk worden
geconstateerd.
1.4.4. Na het roken van hashish en marihuana treden meestal storingen in het 'korte geheugen' op. Waarschijnlijk houden hiermee ook verband het gewijzigde tijdsbeleven en het veranderde associatiepatroon dat de gebruikers vermelden.
De meeste rokers worden in de eerste fase
vrolijk, lacherig en praatlustig. Deze fase wordt ook wel
lach-kick genoemd. Later kan een fase van rustige contemplatie of
ook wel van versuffing intreden. Van Praag (4) schrijft dat geen
eenstemmigheid bestaat over de vraag of onder invloed van
cannabisproducten al dan niet stoornissen ontstaan in de
coördinatie van de spierbeweging, de aandachtsconcentratie en de
zintuiglijke waarneming. De meeste rapporten vermelden echter wel
veranderingen in de zintuiglijke perceptie en in het gevoel voor
ruimte en tijd.
Paniekreacties komen wel eens voor, evenals
depressies. Deze toestanden duren kort, ze zijn nl. gebonden aan
de aanwezigheid van de werkzame stof in het lichaam en ebben
spoedig na het stoppen van het gebruik weer weg (4). Deze
ervaringen en de vervalsingen van de zintuiglijke waarnemingen
grijpen echter niet zo diep aan als dientengevolgevan b.v.
L.S.D.-gebruik (5).
1.4.5. Gesteld wordt wel eens dat het effect
van matig gebruik van een cannabisproduct gelijk is aan het
effect van overmatig gebruik van alcohol. Bij alcohol zouden niet
het zoeken van de roes, maar het sociaal aspect en de smaak de
belangrijkste factoren zijn, terwijl bij het roken van marihuana
of hashish het 'high' worden centraal zou staan. De werkgroep
meent dat het onderscheid niet zo scherp is als door sommige
deskundigen wordt aangenomen. Immers niet voor niets worden
alcoholhoudende dranken als 'social drink' gebruikt (6). Het
woord 'social' duidt op de functie die bestaat in het bevorderen
van contact tussen de gebruikers tengevolge van de licht
ontremmende werking. In het onderzoek van Gadourek (7) naar de
drinkgewoonten in Nederland gaven opvallend weinig personen op
terwille van de euforie of psychische nawerking te drinken. Het
meest opgegeven motief was gezelligheid, hoewel tevens uit het
onderzoek blijkt dat een op de zes volwassen Nederlanders wel
eens drinkt tot hij of zij de bedwelmende effecten van alcohol
ondervindt. De euforie is dan het meest voorkomende effect.
Het feit overigens dat naar de mening van de
regering, daarin voorgelicht door deskundigen, bij een
bloedalcoholgehalte boven 0,5% deelneming aan het verkeer een
duidelijk vergrote gevarenkans oplevert (8), duidt er reeds op
dat de stoornissen in de psychische en motorische functies die
optreden tengevolge van het gebruik van een sociaal geaccepteerde
hoeveelheid alcohol, niet onaanzienlijk wordt geacht.
Misschien moet men stellen dat bij
alcoholgebruik de gezelligheid op de voorgrond staat, maar de
euforie toch ook niet een te verwaarlozen factor is, terwijl bij
het gebruik van hashish en marihuana een zwaarder accent op de
euforie valt, maar de gezelligheid eveneens een belangrijke rol
speelt.
1.4.6. Zoals reeds eerder werd gesteld, is aan
elk druggebruik een specifiek risico verbonden, de psychische
afhankelijkheid.
Deze afhankelijkheid kan leiden tot
preoccupatie met de drug en vooral met het bemachtigen van
voldoende hoeveelheden ervan.
De preoccupatie kan soms zo intens zijn dat er
geen energie voor andere activiteiten overblijft. Een dergelijke
preoccupatie moet als psychische schade worden beschouwd.
1.4.7. In de sfeer van de individuele
psychische schade rest nog de vraag betreffende de invaliderende
persoonlijkheidsveranderingen.
Excessief alcoholgebruik leidt niet alleen tot lichamelijke, maar ook tot geestelijke invaliditeit.
Met betrekking tot alle drugs geldt dat de
onder 1.4.6. vermelde preoccupatie een vertraging in de
geestelijke ontwikkeling teweeg kan brengen. Adolescenten in het
bijzonder geraken daardoor in de ongunstige situatie dat de
maatschappelijke achterstand soms niet meer of slechts ten koste
van grote offers kan worden ingehaald en daardoor een blijvende
handicap vormt.
Deze maatschappelijke handicap heeft vervolgens weer repercussies op de geestelijke ontwikkeling.
Wat de intrinsieke eigenschappen van cannabis
aangaat, zijn de meningen zeer verdeeld. Tegenover de opvatting
dat regelmatig cannabisgebruik leidt tot inertie en apathie als
gevolg van de werking van deze stof, staat de mening van
onderzoekers die een dergelijke verandering in de
persoonlijkheidsstructuur van regelmatige gebruikers niet hebben
kunnen constateren.
Aan cannabis zal nog een afzonderlijk onderdeel
worden gewijd waarin uitvoeriger op de verschillende aspecten zal
worden ingegaan en ook aan de steppingstone-theorie aandacht zal
worden besteed.
Het gevaar van alcohol in het verkeer geeft een
aanwijzing, onderwelke omstandigheden bewustzijnsveranderingen
tengevolge van druggebruik in elk geval als een risico voor de
samenleving moeten worden beschouwd. Wanneer intensieve naar
buiten gerichte oplettendheid, snel reageren en beheersing van de
motoriek zijn vereist, zoals in het verkeer en in
arbeidssituaties waarbij b.v. apparatuur moet worden bediend, kan
de bewustzijnsverandering de prestaties nadelig beïnvioeden,
soms zelfs zodanig dat het leven van de gebruiker of van zijn
medemensen wordt bedreigd.
(1) W. Lammers; Farmacologisch mechanisme van verslaving en gewenning, In: W.
K. van Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand, Bussum 1970. p.
107- 112.
(2) Science 30 april 1971, vol.172, no.3982, p.431.
(3) M. S. H. Schlemper, Stellingname ten aanzien van het gebruik van drugs, Medisch Contact,28 mei 1971,26e jrg. nr. 21, p. 583.
(4) H. M. van Praag, Marihuana, Folklore en wetenschap, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,13 febr.1971,115e jrg., nr.7, p.270.
(5) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, druggebruik en druggebruikers, Maandblad van het nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14 jrg., p. 51.
(6) E. J. Ariëns, Drugs en druggebruik, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 13 febr.1971,115e jrg., nr. 7, p. 281.
(7) J. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn, J. B. Wolters, Groningen 1963, p.p.117,118,119.
(8) Ontwerp Wijziging van de Wegenverkeerswet,
no. 10.038, Memorie van toelichting, blz.5, onder 3.