In dit hoofdstuk zal worden behandeld de motivering die de druggebruikers zelf geven voor het gebruik van drugs.
Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deskundigen achter deze door de gebruikers zelf aangevoerde motieven nog andere drijfveren menen te onderkennen. Deze zullen eveneens worden besproken.
2.1. Interimrapport van de Canadese Commissie
De vraag naar de motieven van druggebruik werd onderzocht door de Canadese 'commission of inquiry into the non-medical use of drugs', hierna te noemen de Le Dain-Commissie, naar de voorzitter van die commissie (1). Deze commissie benoemd op 29 mei 1969 door de minister voor de volksgezondheid en het nationale weizijn, verzond meer dan 750 uitnodigingen aan personen en organisaties om hearings bij te wonen, hun bevindingen op schrift te stellen of mondeling mede te delen.
Aan deze uitnodiging werd op grote schaal gehoor gegeven. Naar schatting hebben ongeveer 12.000 Canadezen de hearings bijgewoond, die overal in het land werden gehouden. De anonomiteit van de sprekers kon ingevolge het instellingsbesluit van de commissie gewaarborgd worden. Daarnaast consulteerde de Le Dain-Commissie vele deskundigen uit Canada en de Verenigde Staten. De werkgroep meent dat dit onderzoek het inzicht in de motieven van druggebruik belangrijk kan vergroten, daar hier voor 't eerst grote aantallen gebruikers aan het woord worden gelaten die niet op grond van klachten in verband met druggebruik zijn geselecteerd. De hearings vonden op zeer informele wijze plaats hetgeen vrijuitspreken door de deelnemers bevorderde.
Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen van de Le Dain-Commissie. De werkgroep tekent daarbij aan dat de in het Canadese rapport vermelde uitspraken van druggebruikers blijkens hun inhoud voor het merendeel betrekking hebben op cannabis, hoewel dit in het rapport niet altijd uitdrukkelijk wordt vermeld.
2.1.1. Met betrekking tot cannabis legden velen er de nadruk op dat men achter het gebruik daarvan niets bijzonders moet zoeken. De gebruikers verzekerden steeds weer dat zij deze drug louter en alleen voor hun plezier gebruikten. De Le Dain-Commissie meent dat men een ernstige vergissing zou begaan wanneer men cannabisgebruik in het algemeen als een pathologisch verschijnsel zou beschouwen. Zij trekt hier een vergelijking met het genot dat matig alcoholgebruik, sexualiteit of voedsel kunnen verschaffen
2.1.2. Positief waarderen de gebruikers van cannabis de ontspannende werking, het wegvallen van remmingen en de verhoging van het gevoel van eigenwaarde. De omgang met anderen wordt daardoor vergemakkelijkt.
Daar komt nog bij dat de gebruikers een gevoel van onderlinge verbonden-heid ervaren deels als gevolg van het illegale karakter van het gebruik. De wetenschap dat hun gedrag wordt veroordeeld juist door hen die zich in het algemeen tegen maatschappelijke veranderingen keren, stempelt het gebruik tot een symbool van protest en versterkt het gevoel een eigen identiteit te bezitten.
Voorts wordt de intensivering van de zintuiglijke waarnemingen als prettig ervaren.
Nieuwsgierigheid, zucht naar avontuur, lust om te-experimenteren spelen een zeer belangrijke rol bij druggebruik.
2.1.3. De meeste gebruikers van cannabisproducten beschouwen dit gebruik als een onschuldig tijdverdrijf. Zij die na het gebruik er critisch tegenover staan, voeren meestal als bezwaar aan dat het een zwakke persoonlijkheid kan overheersen en te veel tijd in beslag neemt.
2.1.4 L.S.D.-gebruikers leggen de nadruk op vergroting van zelfkennis en religieuze ervaringen. Op enige uitzonderingen na, vond de Le Dain-Commissie dat L.S.D. niet regelmatig wordt gebruikt en geen betekenis heeft voor sociale contacten.
2.1.5. Tot zover de getuigenissen van de gebruikers zelf. De Le Dain-Commissie voegt daar een aantal verklaringen voor het druggebruik, die mede zijn gebaseerd op gesprekken met deskundigen buiten de Commissie, aan toe. Deze verklaringen zijn als volgt samen te vatten:
2.1.6. Een belangrijke rol speelt de welvaart, vooral in de middenklasse.
Immers zonder deze zou er geen gelegenheid zijn voor experiment en introspectie. De houding van de jeugd tegenover deze welvaart is ambivalent.
De welvaart wordt enerzijds als iets vanzelfsprekends aanvaard, anderzijds verworpen. Vele druggebruikers laten zich niet inspireren door het toekomstideaal dat hun ouders hadden; zij voelen niet de behoefte te streven naar materieel succes. Sommigen hebben de indruk dat de oudere generatie geen plezier heeft in de arbeid, dat zij niet gelukkig is. Waarom zouden zij deze levenswijze overnemen? Zij zijn bereid af te zien van traditionele bevredigingen zoals status en materieel succes in ruil voor arbeid waarin zij plezier hebben. Het druggebruik maakt voor hen deel uit van een hedonistische levensstijl waarin geluk en plezier als een vanzelfsprekend doel in het leven worden aanvaard.
Daarnaast meent de Le Dain-Commissie bij de jeugd een streven te onderkennen om zich voor te bereiden op een tijd waarin er minder arbeid en meer vrije tijd zal zijn. Vele jongeren voelen zich ingevolge de snelle technologische ontwikkeling onzeker over hun arbeidstoekomst en trachten zich voor te bereiden op een leven met relatief weinig beroepsarbeid. Onderzoek naar het eigen ik en veranderde bewustzijnstoestanden zouden wel eens het middel kunnen zijn waarmee jonge mensen, anticiperend op een leven waarin weinig eisen van buitenaf aan hen zullen worden gesteld, trachten hun vrije tijd zinvol te besteden.
2.1.7. Veel jonge mensen hebben weinig vertrouwen in de toekomst.
Zij zien zich geconfronteerd met de problemen van kernbewapening, overbevolking, verontreiniging van het milieu, rassendiscriminatie en de groter wordende kloof tussen rijk en arm. Zij kunnen zich geen goed en zinvol leven in deze maatschappij voorstellen, daarzij zich zelf niet in staat achten de loop der gebeurtenissen te benvioeden. Met de uitroep van een jonge vrouw tijdens een hearing 'weinigen van onze generatie geloven dat ze het veertigste levensjaar zullen halen' stemden vele leeftijdsgenoten uit de groep in. De Le Dain-Commissie haalt in dit verband Paul Goodman aan die de nadruk legt op dit punt en schrijft: 'Steeds weer hebben studenten mij verteld dat ze er zeker van zijn de eerstkomende tien jaar niet te zullen overleven'.
2.1.8. Meer in de individueel psychqlogische sfeer ligt de stress die wordt veroorzaakt door de te grote verwachtingen die de jongeren omtrent zichzelf koesteren en die mogelijk weer het gevolg zijn van overspannen verwachtin-gen van hun ouders.
Ook de vergroting van de mogelijkheden tot het genieten van onderwijs kan teleurstelling over eigen prestaties met zich meebrengen.
2.1.9. De Le Dain-Commissie heeft de indruk dat veel druggebruik moet worden gezien als een middel om de stress die de meeste mensen, zowel jong als oud, in de moderne samenleving ondervinden, te verlichten. Dit geldt ook met betrekking tot alcohol en tabak - de meestgebruikte drugs in alle leeftijdsgroepen - en ten aanzien van de grote hoeveelheden Slaapmiddelen die worden geconsumeerd.
2.1.10. Uit bovenstaande samenvatting van de resultaten van het onderzoek dat door de Le Dain-Commissie werd verricht, komen als factoren die samen-hangen met het druggebruik naar voren: gebrek aan vertrouwen in de toe-komst, een gevoel van onmacht tegenover de grote problemen van deze tiid en het zoeken naar een eigen identiteit Het streven naar verlichting of opheffing van de stress die tengevolge van deze factoren optreedt, kan leiden tot druggebruik. Dit druggebruik wordt soms ingebed in een hedonistische levensstijl.
Los van dit alles speelt de lust om te experimenteren een rol.
De maatschappelijke achtergronden van het druggebruik zijn: enerzijds toeneming van de welvaart, waardoor de strijd om het bestaan en de opbouw van een carriere naar het tweede plan zijn verschoven, anderzijds de snelle technologische ontwikkeling die door de jonge generatie wordt beleefd als een bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid en die in de individuele sfeer hun beroepstoekomst onzeker maakt.
2.1.11. De Le Dain-Commissie legt er de nadruk op dat de meerderheid der druggebruikers niet pathologisch is gemotiveerd. Dat neemt niet weg dat de Canadese Commissie in sommige gevallen druggebruik wel als een pathologische keuze beschouwt. Ter illustratie worden genoemd een vlucht in een wereld van illusie door middel van L.S.D., overstimulering met behulp van amfetaminen of passieve isolatie met cannabis.
2.2. Incidenteel gebruik - regelmatig gebruik
Naast het oordeel van de Le Dain-Commissie die bij de meerderheid der gebruikers geen pathologie aanwezig acht, maar deze wel bij een niet te verwaarlozen groep signaleert, dient het standpunt van R. S. P. Wiener (2) (3) te worden vermeld.
2.2.1. Wiener heeft uit eene aantal over druggebruik verschenen studies de indruk gekregen dat onder adolesceuten onderscheid moet worden gemaakt tussen incidenteel, voorbijgaand gebruik, meesta! van cannabis en/of amfetaminen enerzijds, en gebruik dat als incidenteel begint maar overgaat in regelmatig gebruik, anderzijds. Het eerstgenoemde patroon treft men aan bij adolescenten die een moeilijke fase doormaken. Zij vormen de meerderheid der gebruikers. Dit druggebruik acht de schrijver niet verontrustend, het is te vergelijken met het grijpen naar een sigaret op een party om te ontspannen, of het gebruik van wat alcohol na een vermoeiende dag. Ernstiger is de situatie wanneer de behoefte aan drugs frequent optreedt. Ten gevolge van omstandigheden die worden bepaald door leeftijd en groep, is de kans groot dat de gebruiker zijn toevlucht neemt tot drugs, omdat hij er op dat moment niet in slaagt oplossingen te vinden voor zijn fundamentele persoonlijke problemen.
Ter illustratie citeert de schrijver uit een studie over het gebruik van amfeta-minen. Deze geven een gevoel van zelfvertrouwen en helpen de gebruiker over angst en remmingen heen. Door een dergelijk druggebruik worden innerlijke groei en ontwikkeling uitgesteld: de drugs doen dienst als krukken en er ontstaat gemakkelijk afhankelijkheid. De schrijver wijst erop dat het druggebruik hier de eigenlijke problemen maskeert, het is slechts een symptoom.
Als deze personen geen drugs zouden gebruiken, zouden ze misschien aan de drank zijn. Als drugs niet verkrijgbaar zouden zijn, zouden zij ook behoren tot mensen die niet goed functioneren en die hulp nodig hebben, aldus deze schrijver.
2.2.2. De opvattingen van Wiener komen in zoverre overeen met die van de Le Dain-Commissie dat ook Wiener bij de meerderheid der gebruikers geen ernstige psychische stoornissen aanwezig acht.
De relatie tussen pathologie en gebruikspatroon heeft de Canadese Commis-sie in haar interimrapport niet onderzocht.
2.3. Afweer van agressie; identiteitsproblemen
In Nederland wordt door deskundigen nadruk gelegd op de hierna te noemen motieven.
2.3.1. Mulder (4) (5) acht de sociologische verklaring dat de jongeren in de huidige samenleving steeds meer drugs gebruiken als een vorm van protest tegen de structuur van onze westerse, sterk op wedijver ingestelde samenleving niet helemaal bevredigend. Naar zijn mening zijn de jongeren van deze tijd agressiever dan in het algemeen wordt aangenomen. Deze agressiviteit kan met een aantal biologische gegevens in verband worden gebracht. De jeugd in de westerse landen is gemiddeld 10 cm groter dan de jongeren omstreeks 1900. Bovendien bereikt zij deze lengte ook twee jaar eerder. De sexuele rijpheid treedt ongeveer anderhalf a twee jaar vroeger op dan voorheen.
'De psychologische rijping houdt echter veelal geen gelijke tred met de lichamelijke ontwikkeling. Vele jeugdigen staan wantrouwend tegenover vitaal driftmatige strevingen. Veel jongeren zijn aanmerkelijk groter dan hun ouders. Hun volwassen lichaam geeft hun problemen te verwerken die zij geestelijk nog niet aan kunnen en die daarom verwarrend en soms zelfs angstverwekkend werken. Zij worden geconfronteerd met gevoelens en sensaties die zij zelf niet de baas kunnen en die daarom afgeweerd moeten worden. Bij het onderzoek van jongeren die psychedelische middelen gebruiken, krijgt men vaak de indruk dat deze stoffen een rol hebben moeten spelen in deze afweer. Zij vertonen nl. vaak een attitude die men met de term passiviteits-syndroom zou kunnen omschrijven. Hun gedrag wordt gekenmerkt door een zekere mate van indolentie en inactiviteit en zij lijken totaal gespeend van enige vorm van agressiviteit. Zij zijn schijnbaar meegaand en vriendelijk, doch in wezen zijn zij dit niet. Ook de sexualiteit lijkt bij hen een geringe rol te spelen. Bij een nader onderzoek blijkt echter dat zowel de agressiviteit als de sexualiteit wel degelijk aanwezig zijn, maar dat deze als gevaarlijk en angstaanjagend ervaren worden en dat zij daarom op een effectieve manier door psychedelische middelen worden verdrongen.' (5).
2.3.2. Een klein systematisch onderzoek naar de motieven en psychologi sche achtergronden van druggebruik werd gepubliceerd door G. Mik, jeugdpsychiater te Groningen (6). Schrijver startte in Groningen in juli 1969 met een zeer informeel ingericht spreekuur voor jongeren tussen 15 en 30 jaar. Het totale aantal bezoekers bedroeg tot 19 oktober 1970, dus gedurende één jaar en drie maanden, 600, t.w. 374 mannelijke en 226 vrouwelijke bezoekers.
Van de eerste 200 bezoekers wordt een nadere analyse gegeven.
Onder de aanmeldingsproblemen valt op het grote percentage identiteitsproblemen, door Mik nader aangeduid met: 'wie ben ik, waar ga ik naar toe, wat is mijn relatie tot de wereld, wat leeft van mijn verleden in mij'. Het probleem wordt in 21 procent der gevallen als zodanig gebracht, maar komt ook in de rubrieken, werkstoornissen en depressies, naar voren, in het totaal in 40 procent der gevallen en wel vooral bij jongens.
Ongeveer 40 procent van de bezoekers deelde spontaan mee ooit wel eens drugs te hebben gebruikt. Bij verder navragen bleek het dan meestal een experimenteel, vaak incidenteel gebruik te betreffen. Van hen gebruikte 73 procent hashish of marihuana. Deze stoffen tesamen met L.S.D. werd door ongeveer 24 procent, en de combinatie L.S.D./opiaten door ongeveer 3 procent gebruikt. Op het spreekuur onderscheidden de druggebruikers zich ten aanzien van de overige bezoekers, wier intelligentieniveau reeds aanzienlijk boven het gemiddelde lag, door een nog hoger intelligentieniveau.
Mik trof bij hen onder meer: een versterkte identiteitsproblematiek aan, vergeleken bij de overige bezoekers. Ongeveer driekwart van de druggebruikers vertoonde geen ernstige psychische stoornissen. Dat was in zeer sterke mate wel het geval bij degenen die opiaten gebruikten. 'Hun karakterstructuur was als dermate gestoord te kwalificeren dat zij ongetwijfeld aan andere verslavingen (alcohol, gokken, bepaalde delicten) ten prooi zouden zijn gevallen wanneer zij niet met drugs waren geconfronteerd'. (6)
2.4. Nieuwsgierigheid, lust om te experimenteren
Een aantal onderzoekingen verricht door het criminologisch instituut te Groningen leverde de volgende gegevens on:
2.4.1. In een veldonderzoek in Gieten(7) werden 54 druggebruikers gevraagd waarom zij waren begonnen met het druggebruik. Op deze vraag werd door de meesten (44) geantwoord met 'nieuwsgierigheid, behoefte om te experimenteren'. De eerst gebruikte drug was in alle gevallen hashish of marihuana. De 54 ondervraagde jongeren behoorden tot de bezoekers van een jeugdcentrum waar drugs werden gebruikt. Van hen ging 25% op den duur over op sterkere middelen. Dit bleek gepaard te gaan met een verschuiving van de motieven. Nieuwgierigheid had als factor aan betekenis ingeboet, vermoeidheid en depressies kwamen meer op de voorgrond (33%).
2.4.2. In het onderzoek van Buikhuisen e.a.(8), verricht onder middelbare scholieren die 20 maal of vaker drugs hadden gebruikt, gaf het merendeel van de proefpersonen als reden voor het eerste gebruik nieuwsgierigheid op (55%). Twee andere dikwijls genoemde redenen waren: moeilijke omstandigheden (28%) en het toevallig in een situatie komen waarin drugs werden gebruikt (11%).
2.5. Persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers
Naar persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers werd een aantal onderzoekingen verricht.
2.5.1. Timmerman en Buikhuisen(9) verrichtten een onderzoek onder scholieren die drugs gebruiken, waarbij weer het criterium dat iemand 20 maal of vaker moet hebben gebruikt, werd gehanteerd. Zij vergeleken een groep van 44 gebruikers met een groep van 44 niet-gebruikers, gematcht op sexe en school en werkten daarbij met vijf persoonlijkheidstests. De gebruikers scoorden hoger op de neuroticisme schaal en de sensation-seeking schaal, waren meer van mening dat onze maatschappij een anomisch karakter heeft en scoorden lager op de socialisation-schaal, dan niet-gebruikers.
De onderzoekers merken op dat op grond van dit onderzoek niet vastgesteld kon worden of de gevonden verschillen reeds bestonden v66rdat men drugs gebruikte of pas ontstaan zijn nadat men zijn intrede gedaan had in dit milieu.
2.5.2. Dezelfde auteurs bespreken in hun artikel (9) een onderzoele van McGlothlin e.a. dat als volgt wordt samengevat:
'Zonder het doel van het onderzoek te vermelden, testten zij een groep proef-personen. Daarna vroegen zij de betrokkenen mee te werken aan een L.S.D.-experiment. 25 Personen weigerden L.S.D. te nemen, 11 wilden wel meedoen, maar waren bang voor L.S.D. De overigen gaven zonder bezwaar hun medewerking of stonden zelfs positief tegenover het experiment. De onderzoekers vergeleken nu de testscores van deze laatste proefpersonen met die van de proefpersonen die niet mee wilden doen of bang waren voor L.S.D. Duidelijke verschillen traden naar voren.
De weigeraars bleken meer deel uit te maken van organisaties of verenigingen, planmatiger te leven, meer conventioneel te zijn en feitelijker ingesteld. De proefpersonen die wel mee wilden doen aan het experiment bleken meer intutief ingesteld te zijn, introverter, nonchalanter, excentrieker, meer gevoelig voor prikkels en psychopatischer'.
De uitkomsten van een ander (veld) onderzoek van McGlothlin e.a.(10) leverde aanvullende informatie op met betrekking tot de psychologische kenmerken van hennepgebruikers. De auteurs vonden met name een aantal interessen en activiteiten welke een samenhangend patroon leken te vormen. Deze betroffen (a) een voortdurend bezig zijn met methoden welke veranderde bewustzijnstoestanden kunnen opwekken; (b) een ongestructureerde en betrekkelijk onstabiele levensstijl. Dit zoeken naar veranderde bewustzijnstoestanden kwam tot uiting in het experimenteren met allerlei drugs, maar tevens in andere activiteiten en reactiepatronen. Zo waren zij gevoeliger voor hypnotische suggesties, geloofden vaker in de waarde van astrologie en paraspychologische verschijnselen, beoefenden niet zelden meditatie en Yoga-technieken of verdiepten zich in Zen. Tevens waren zij vaker geneigd om hun inzicht in zichzelf te verdiepen door psychotherapie. Met betrekking tot hun levensstijl hielden zij meer van een hoog stimulatieniveau, onzekerheid en risico, dan van zekerheid en structuur. Dit kwam tot uiting in een meer dan gemiddeld aantal veranderingen van wonen, werk en huwelijkspartner. De maatschappelijke werkelijkheid deed hen niet veel, maar zij waren niet vervreemd in persoonlijk opzicht.
2.5.3. Een onderzoek van Tellegen(11) bracht voornamelijk de meer non-conformistische instelling van hennep gebruikende studenten aan het licht. Tellegen vergeleek 63 studenten, die nooit hennep gebruikt hadden met 42 studenten, die wel hennep gebruikten, zij het op een zeer matige wijze.
Laatstgenoemden bleken met betrekking tot sexuele contacten actiever en permissiever te zijn; zij hadden meer 'linkse' opvattingen, gingen minder naar de kerk, maar hadden wel meer interesse voor meditatie, Yoga etc. Thuis hadden zij vaker conflicten gehad, waren ongehoorzamer en waren vaker weggelopen. Zij hadden het thuis ook minder goed kunnen vinden en voelden zich in hun jeugd minder gelukkig. Op de psychologische tests bleken de verschillen gering te zijn, met dien verstande dat de 'hashish-probeerders' wat minder rigide en dogmatisch waren.
2.5.4. Een groot onderzoek naar het druggebruik onder Amerikaanse studenten werd recentelijk verricht door Blum en zijn medewerkers(12). Ze gebruikten bij dit onderzoek een verscheidenheid aan onderzoek 'instrumenten', t.w. participerende observatie, casestudies, beoordelingsschalen, 'panel'studies, vragenlijsten, dagboekstudies, diepte-interviews en sociometrische methoden. Zij vonden dat het campusmilieu een belangrijke rol speelde bij het druggebruik, maar dat daarnaast persoonlijkheidsvariabelen van invloed waren. Timmerman en Buikhuisen (9) vatten dit onderzoek als volgt samen: 'Op grond van de testuitslagen geeft Blum het volgende beeld van de gebruikers. Zij zijn artistieker, doen van buiten sympatiek aan, ze zijn geinteresseerd in geestelijke vraagstukken, toleranter, spontaner, ze hebben minder belangstelling voor de werkelijkheid of voor conventies, ze zijn tegen de bestaande orde, kunnen slecht spanning verdragen, voelen zich vaak onzeker, en ze zijn minder betrouwbaar'.
2.5.5. Gadourek (13) vond bij druggebruikers een levendigere deelneming aan het culturele- en sociale leven dan bij de gemiddelde Nederlander. Als maatstaf dienden schouwburg- en concertbezoek, bezoeken aan vrienden en het frequenteren van cafes en restaurants.
2.6 Vergelijking van de verschillende opvattingen en conclusie
Wanneer men de opvattingen over de motieven en de psychische en sociale aspecten van het druggebruik die hierboven aan de orde kwamen naast elkaar legt, treft een zekere mate van overeenstemming ten aanzien van de belangrijke rol die identiteitsproblemen, insufficientiegevoelens en gevoelens van onmacht spelen in verband met regelmatig druggebruik. Drugs dienen, naar algemeen wordt aangenomen, vooral om de stress waarin vele jongeren met deze problemen leven, te verlichten.
De Le Dain-Commissie ziet de gevoelens van onmacht voor een deel als een reactie op een reele bedreiging. Sommige deskundigen leggen meer het accent op stoornissen in de geestelijke ontwikkeling. Mik meent dat veel individueel-psychologisch bepaalde onmacht-almachtsproblematiek wordt versterkt door het gevoel van onmacht de maatschappij te veranderen en door de angst deze binnen te treden.
Mulder ruimt een belangrijke plaats in aan verdrongen agressie. Ook Mik constateerde bij de hele groep van adolescenten die hem consulteerde een hoog percentage, t.w. 40 procent, problemen rond de agressie, zich uitend in afweer van agressie met de daaruit voortvloeiende activiteitsproblemen. Beider verklaring van indolent gedrag, van gebrek aan activiteit is dezelfde voor zover zij dit gedrag terugvoeren tot afweer van agressie.
Mulder brengt deze afweer vooral in verband met biologische factoren. Mik meent dat ook sociale faktoren een belangrijke rol kunnen spelen.
Eensgezindheid is er over de voorbijgaande aard van veel druggebruik.
Sommige deskundigen menen dat druggebruik de oplossing van persoonlijke problemen, vooral identiteitsproblemen, niet in de weg hoeft te staan. De Le Dain-Commissie kent aan druggebruik bij het oplossen van identiteitsproblemen in sommige gevallen zelfs een positieve werking toe.
De uitkomsten van onderzoekingen naar de persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers wijzen in de richting van non-conformisme, geringe rigiditeit, tolerantie, naar binnen gekeerdheid, bereidheid tot het nemen van risico's, artisticiteit en een betrekkelijk onstabiele levensstijl.
Concluderend meent de werkgroep dat de onderscheiden hypothesen ter verklaring van druggebruik elkaar niet zozeer tegenspreken als wel aanvullen. Men dient zich daarbij te realiseren dat de verschillende onderzoekers vanuit verschillende gezichtspunten werkten. Sommige legden de nadruk op klinische aspecten, andere bestudeerden psychologische kenmerken in bredere zin. De onderzoekers werkten ook met verschillende instrumenten, en onderzochten onvergelijkbare populaties.
Drugs worden voornamelijk door adolescenten gebruikt. Nederlandse onderzoekingen wijzen uit dat nieuwsgierigheid een belangrijke driifveer is als het gaat om beginnend druggebruik.
Regelmatig druggebruik vindt de werkgroep problematisch. Hier ligt tevens een onopgelost vraagstuk. De in dit hoofdstuk vermelde psychische moeilijkheden behoren alle tot de hedendaagse adolescentenproblematiek, maar zijn niet specifiek met druggebruik verbonden. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde problemen in versterkte mate bij druggebruikers leven, maar een systematisch onderzoek daarnaar met behulp van een controle-groep van niet-gebruikers werd nog niet verricht.
Het ontbreken van deze specificiteit treft vooral in het rapport van de Le Dain-Commissie.
Een uitgangspunt voor systematisch onderzoek in Nederland naar de motieven voor regelmatig druggebruik vormen de onderzoekingen verricht door het criminologisch instituut te Groningen, waarbij wel controlegroepen werden betrokken.
(1) Interim Report of the commission of inquiry into the non-medical use of drugs, Information Canada, Ottawa 1970.
(2) R.S.P.Wiener, The Health Educational Journal, Vol. 29 nr.3, Sept.1970.
(3) R.S.P. Wiener, Drugs and Schoolchildren, Longmans 1970.
(4) W. G. Mulder, Verslaving, Querido Amstefdam 1969.
(5) W. G. Mulder, Psycho-hygienische aspecten van het druggebruik, Verslag van de Provinciale gezondheidsdag 1969, uitgave Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid-Holland.
(6) G. Mik, Ervaringen met jongeren van nu vanuit een nieuwe vorm van hulpverlening, Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap,2febr.1971,14e jrg.
(7) Druggebruik in Gieten, een veldonderzoek verricht onder auspicien van het criminologisch instituut van de rijksuniversiteit Groningen.
(8) W. Buikhuisen e.a., Druggebruik: de eerste kennismaking, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.
(9) H. Timmerman en W. Buikhuisen, Psychologische kenmerken van scholieren die drugs gebruiken, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.
(10) W. H. McGlothlin 'Marijuna use among adults,' stencil 1971.
(11) P. Tellegen, Non-conformisme en het gebruik van hashish onder studenten, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.
(12) R. H. Blum & associates. Student and drugs, Jossey-Bass Inc., San Francisco, 1969 en 1970.
(13) J. Gadourek en J. C. Jessen, Prosciption
and acceptance of drugs-taking habits in the Netherlands, Mens en
maatschappij, herfst 1971,46e jrg., nr.4.