In het vorige hoofdstuk kwam herhaaldelijk ter
sprake het zoeken naar een eigen identiteit in de
adolescentiejaren. De werkgroep wil ten aanzien van het begrip
identiteitsproblemen hier enige kanttekeningen maken.
Vragen naar en onzekerheid omtrent de eigen
identiteit treden in het algemeen tijdens pubertijd en
adolescentie op, en spelen een normale rol in het
individuatie-proces. (Overal elders in dit rapport worden
puberteit en adolescentie samengevat onder 'adolescentie'.) Als
identiteitsproblemen op die leeftijd geheel zouden ontbreken, zou
dit zelfs een reden tot ongerustheid kunnen vormen. De werkgroep
meent dan ook dat jongeren die zich gesteld zien voor de opgave
identiteitsproblemen te verwerken, in een normale, aan
leeftijdsfase gebonden levenssituatie verkeren. De integratie van
de jeugdigen in de z.g. volwassenwereld is te beschouwen als een
emancipatieproces. De verwerking van allerlei crisis-situaties
kan mislukken, dit geldt ook met betrekking tot de verwerking van
identiteitsproblemen. Bij hun pogingen deze problemen op te
lossen, zien sommige jongeren mogelijkheden in het experimenteren
met drugs. Anderen trachten de problemen door het gebruik te
ontvluchten.
Bij dit alles speelt ook de interactie binnen
groepen van leeftijdsgenoten, waarbij groepsleden zich orienteren
op de leiders, een belangrijke rol.
In het rapport van de werkgroep Drugs Drente(1)
wordt gesteld dat 'de rol van de volwassen opvoeder als
identificatieobject steeds kleiner wordt, terwijl de groep
leeftijdsgenoten deze functie overneemt'. 'De groep vijftien-tot
vijfentwintigjarigen van nu', aldus dit rapport, 'heeft een veel
groter groeps/generatiebewustzijn dan die van vroeger.' De
communicatiemedia en de handel die de jeugd als nieuw en
koopkrachtig publiek ontdekten, hebben zeker tot deze
ontwikkeling bijgedragen, zoals in dit rapport wordt gesteld.
Daarnaast zijn echter een aantal factoren, die in het vorige
hoofdstuk aan de orde kwamen, van invloed op de kracht waarmee de
jongeren zichzelf als groep presenteren.
De angst die kenmerkend is voor de
adolescentieperiode wordt versterkt door de groter geworden
discrepantie tussen biologische en emotionele rijping, terwijl
ook de als dreigend ervaren hedendaagse problemen die angst nog
verhevigen. Een deel van de jeugd zoekt een uitweg via een nieuwe
levensstijl die tot een betere, minder angstwekkende samenleving
zal leiden. Zij willen de heersende ideologie waarin naar hun
mening het accent ligt op arbeid, prestatie en competitie en die
een materialistische, gevoelsarme samenleving heeft
voortgebracht, vervangen door een nieuwe ideologie, meer gericht
op samenwerking, creativiteit en diepergaande menselijke
contacten. Daarnaast is er het streven om zich voor te bereiden
op een leven waarin de beroepsarbeid een minder belangrijke
plaats zal innemen dan nu het geval is (2) (3). In deze ideologie
kunnen reizen, mediteren en ook druggebruik worden ingepast.
Druggebruik is echter niet onlosmakelijk met bovengeschetste
ideologie verbonden. Enerzijds zijn er veel jongeren die een
dergelijke levens- en maatschappijbeschouwing aanhangen zonder
drugs te gebruiken, anderzijds gebruiken veel jongeren drugs
zonder daaraan een bepaalde levenshouding te verbinden. Bovendien
vindt men, evenals bij andere idealistische stromingen, ook hier
niet zelden een discrepantie tussen de ideologie die wordt
aangehangen en de dagelijkse praktijk. De hierboven geschetste
ideologie geeft slechts het klimaat aan waarin het druggebruik
snel in omvang kon toenemen.
Bij de toeneming dient ook te worden bedacht
dat bewust levende jongeren die verscheidene door de samenleving
in meerderheid vanzelfsprekend geachte of althans aanvaarde
toestanden verwerpen, omringd worden door meelopers die de andere
levensstijl van deze 'zoekers' overnemen, zonder zelf deel te
hebben aan hun geestelijke achtergrond. Het verschijnsel
'meelopers' is overigens niet beperkt tot druggebruik, subcultuur
of jeugd.
Voorts verspreiden sociale verschijnselen zich
tegenwoordig bijzonder snel over grote geografische afstanden,
zodat bewegingen die in de Verenigde Staten hun oorsprong vonden
als reactie op gebeurtenissen en situaties daar - de oorlog in
Vietnam, het negervraagstuk, de automatisering - in korte tijd
West-Europa bereikten. Ook hier speelt naast echte verontrusting
een mode-aspect dat stimuleert tot nabootsing, een rol.
In verband met de van het heersende waardesysteem afwijkende ideologie valt dikwijls het woord subcultuur, waarbij niet altijd duidelijk is waarop men precies het oog heeft. Elke pluriforme maatschappij is opgebouwd uit groeperingen en kringen die worden gekenmerkt door een eigen stijl. Het begrip
subcultuur werd in de sociologie oorspronkelijk
gebruikt ter aanduiding van de leefwijze van minderheidsgroepen
in een gedifferentieerde samenleving. Zo werd in de Verenigde
Staten gesproken van de kerncultuur of dominante cultuur van de
engelstalige, protestante middenstanders tegenover de subcultuur
van b.v. Rooms-Katholieken, Italianen of Polen, negers en
arbeiders.
Daarnaast heeft het woord subcultuur een tweede
betekenis gekregen in de zin van 'underground'. Het gaat hier om
de leefwijze van de jongeren in de Verenigde Staten en vele
landen van West-Europa die de hierboven geschetste ideologie in
allerlei variaties aanhangen en zich ook in haardracht en kleding
onderscheiden van hen die naar hun mening tot het 'establishment'
behoren.
Deze jeugd-subcultuur oefent een steeds grotere
aantrekkingskracht op de jongeren uit. De omvang van deze
stroming zowel wat betreft het aantal jongeren als met betrekking
tot de geografische spreiding, doet vermoeden dat hier meer aan
de hand is dan het van ouds bekende generatieconflict.
Zoals reeds werd vermeld, bevordert de sfeer in
deze subcultuur het druggebruik, voor een deel wordt de sfeer
echter ook weer bepaald door dit gebruik. Toch zou de werkgroep
de jeugd-subcultuur niet gelijk willen stellen aan de 'scene'. In
de subcultuur worden de risico's van matig druggebruik
geaccepteerd, terwijl in de 'scene' het druggebruik centraal
staat. De 'scene' bestaat uit een groep of een aantal elkaar
overlappende groepen waarvan de leden elkaar min of meer
regelmatig ontmoeten en drugs gebruiken. Muziekbeleving en een
speciaal taalgebruik spelen een belangrijke rol in de 'scene'.
Bij de 'scene' horen 'omturnen' en handel.
3.6.1. Iemand overhalen om ook bepaalde drugs
te gebruiken, heet 'omturnen'. In de literatuur wordt dit
proselyteren genoemd. Dit proces verloopt anders bij opium dan
bij hashish en L.S.D. De belangrijkste elementen in het
omturngedrag zijn:
a. Een vorm van imitatie.
De gebruiker leert uit gesprekken met anderen
dat omturnen min of meer van hem verwacht wordt.
b. Het verlangen om vrienden iets nieuws te leren.
Men heeft zelf pas kennis gemaakt met een
bepaalde stof en die ervaring leren waarderen, nu wil men anderen
in die aangename ervaring laten delen. Wanneer de poging succes
heeft, kan men er zelfs een zekere status aan ontlenen.
c. Een vorm van magisch denken.
Men gelooft dat slechts een enkele drugervaring
voldoende is om iemand ten goede te veranderen, o.a. doordat
bepaalde remmingen en conditioneringen worden opgeheven.
Vooral beginnende druggebruikers tonen vaak een
zekere geestdrift met betrekking tot het omturnen.
Uit het onderzoek van Cohen (4) blijkt dat 86%
van de ondervraagde gebruikers van hashish deze stof de eerste
keer van vrienden kreeg. Opiumgebruikers gedragen zich
terughoudender in het aanbevelen. Blijkens hetzelfde onderzoek
haalt 77% van de opiumgebruikers anderen nooit over tot dit
gebruik, tegen 36% van de hashishgebruikers. Daarentegen heeft
toch nog 75% van de opiumgebruikers deze stof voor het eerst van
vrienden gekregen. Uit laatstgenoemd gegeven kan men concluderen
dat ook bij opiumgebruik vrienden een belangrijke rol spelen.
3.6.2. Tussen handelstransacties en
vriendendiensten bestaat, anders dan lange tijd werd aangenomen,
een nauw verband. Het merendeel van de handelstransacties in
drugs vindt plaats tussen vrienden en kennissen. Dikwijls is dit
eerder een vorm van dienstverlening dan een commerciele
aangelegenheid. Iemand ontdekt toevallig hashish van goede
kwaliteit en koopt meer dan hij de eerste tijd kan gebruiken, in
de wetenschap dat hij altijd een gedeelte kan doorverkopen als
hij geld nodig heeft. Soms brengt een aantal mensen geld bij
elkaar om toor het kopen van een grotere hoeveelheid een betere
prijs te kunnen bedingen.
De illegale handel in het binnenland wordt
voornamelijk bedreven door de kleine handelaar en de
handelaar-gebruiker.
Deze laatste koopt om zelf te gebruiken maar
ook om een deel weer te verkopen en op deze wijze zijn eigen
gebruik te bekostigen. Onder deze kleine handelaren vindt men wel
delinquenten maar niet de echte onderwereldfiguren. De handel
speelt zich vooral af in de wereld van druggebruikers die
geinvolveerd zijn in de 'scene'. Amsterdam waar veel jongeren uit
binnen- en buitenland elkaar ontmoeten, is het belangrijkste
centrum voor deze handel.
In de illegale internationale handel gaat het
om veel grotere hoeveelheden. Hoewel een enkele maal personen die
tot de onderwereld behoren zich bemoeien met de internationale
handel in verdovende middelen, zijn het toch hier ook vooral de
jongeren uit de subsultuur die een belangrijke rol spelen. Zij
maken een reisje naar het Verre- of Midden-Oosten, komen met een
bepaalde hoeveelheid hennepproducten terug en kunnen met de
verkoop daarvan hun onkosten ruimschoots vergoeden. De
smokkelwaar wordt soms normaal in de bagage vervoerd, maar zit
ook vaak verborgen in andere goederen of in koffers met dubbele
bodem.
Een bekende vorm van internationale handel is het verzenden van hennep producten uit landen in het Oosten, verpakt in onschuldig uitziende goederen, zoals meubelen, poppen of beesten.
Wanneer het om kleine hoeveelheden gaat die in
kleine pakjes kunnen worden geborgen, wordt eerst in ons land een
contactadres gezocht waarheen men de pakjes kan zenden.
Vervolgens worden de pakjes door iemand bij de contactadressen
opgehaald, waarna de handel kan beginnen. Veelal weet degene bij
wie de pakjes worden thuisbezorgd, niet eens precies waar het om
gaat.
Wanneer een grotere partij het land binnenkomt,
wordt deze ergens verdeeld en in gedeelten naar een aantal
adressen gebracht van waaruit men de handel voortzet.
Recentelijk hebben zich een aantal gevallen
voorgedaan waaruit blijkt dat ons land ook wordt gebruikt als
transitoland. Meerdere malen werden buitenlanders op Schiphol
aangehouden in het bezit van grote hoeveelheden hashish die men
had willen meenemen naar andere landen. Deze partijen varieren
van enkele tot enige tientallen kilogrammen.
Een door Cohen uitgevoerde nadere analyse van
de handelspatronen bij de verschillende drugs wijst uit dat de
handel in hashish de grootste spreiding vertoont, terwijl de
opiumhandel de minste deelnemers telt. L.S.D. en amfe-taminen
nemen een tussenpositie in (4).
Uit het onderzoek van Buikhuisen e.a. naar de
eerste kennismaking met drugs(5) bleek dat iets meer dan de helft
van de gebruikers drugs uitsluitend via vrienden kreeg. De rest
(43%) kocht de middelen ook wel eens van een handelaar.
De verhouding tussen de opiumhandelaar en de
opiumgebruiker is anders dan de relatie tussen de handelaar in
hashish en/of L.S.D. en de gebruiker.
De opiumhandelaren worden niet zelden
'achtervolgd' door de gebruikers die dit middel op alle uren van
de dag en de nacht nodig hebben. Dit is ook de reden waarom
hashish handelaren niet graag met opium beginnen . Zij wensen
niet in het holst van de nacht uit hun bed gebeld te worden.
Anderzijds hebben de opiumhandelaren een vrij grote
machtspositie, omdat zij iemand een door hem zeer gewaardeerd
middel kunnen geven of onthouden.
Weer anders verloopt de handel in L.S.D. Er
zijn meer handelaren en hun afnemers achten hun behoeften met
vijf tot tien trips voor maanden, zo niet voor jaren gedekt. Met
het kopen van L.S.D. kan men zo nodig rustig wachten tot zich een
gelegenheid voordoet om het te kopen. Een band met de handelaar -
vaak ook verkoper van hashish - is er dientengevolge niet. Op het
allerlaagste niveau - straathandel - is er nogal eens sprake van
bedrog, maar daar staat tegenover dat ook trips worden weggegeven
of tegen lage prijzen verkocht.
Tot voor kort werd bijna uitsluitend in
cannabis, L.S.D. en opium gehandeld.
Af en toe werden kleine hoeveelheden heroine
binnengesmokkeld.
Reeds vanaf 1964 werd regelmatig amfetamine aangeboden in kleine hoeveelheden met incidentele 'pieken'. Sedert 1970 valt echter een verontrustende toeneming van amfetaminen op de illegale markt te constateren, mede ten gevolge van het optreden van handelaren die zich min of meer in deze stoffen hebben gespecialiseerd.
3.7. Invioed van de subcultuur op de participanten
De subcultuur 'waarin', zoals Beerling (6) het uitdrukt 'een zekere beschutting wordt gezocht tegen de snijdende wind die buiten waait', heeft positieve aspecten, maar bergt ook grote gevaren in zich.
3.7.1. Gebruikers van cannabis komen er in aanraking met andere drugs en dit kan tot riskante experimenten leiden. Uit het eerder genoemd onderzoek van Cohen blijkt dat van de regelmatige gebruikers van cannabis 70% incidenteel ook andere drugs gebruikt. Dit is waarschijnlijk niet een bevestiging van de 'klassieke' steppingstone-hypothese, waarop in hoofdstuk 6 nog zal worden teruggekomen, maar het gevolg van contacten binnen de subcul-tuur.
3.7.2. De subcultuur kan een functie vervullen bij de volwassenwording.
Allerlei interessen kunnen avorden gewekt en versterkt, sociale contacten kunnen worden verbeterd en uitgebreid. De suboultuur kan echter ook het individu in een steeds groter isolement drijven. De subcultuur is geen panacee tegen de eenzaamheid, sommigen zullen zich er steeds eenzamer gaan voelen.
3.7.3. Een afwijzende houding van de maatschappij versterkt het onderlinge gevoel van saamhorigheid, maar ook het isolement ten opzichte van die maatschappij. Indien de afwijzing scherp is, bestaat het gevaar dat het individu zich vastbijt in het gedrag dat door de samenleving als afwijkend wordt beschouwd. De intensiveri ng van afwijkend gedrag als gevolg van stigmatisering kan met secundaire deviatie worden aangeduid. Deze secundaire deviatie treedt op als de deviant geen uitweg meer ziet, hetzij omdat hij zijn gedrag niet in de door de samenleving gewenste richting kan veranderen, hetzij omdat hij de afwijzing ongerechtvaardigd acht of door een combinatie van beide factoren. In termen van druggebruik betekent het bovenstaande dat de gebruiker bij een intolerante bejegening tot een zwaarder gebruikspatroon zal overgaan, d.w.z. gebruik met grotere frequentie, in grotere doses en van meerdere soorten drugs. Dit zwaardere gebruikspatroon gaat, zoals reeds werd beschreven, ook met grotere handelsactiviteiten gepaard. Deze kunnen weer tot diefstal en valsheid in geschrifte leiden.
De afwijzing van de samenleving wordt het
sterkst ervaren bij strafrechtelijk ingrijpen, vooral wanneer dit
bestaat uit vrijheidsbeneming. Wrok jegens de samenleving en een
reeele vermindering van maatschappelijke mogelijkheden maken dan
terugkeer naar het vroegere milieu vaak zeer moeilijk. Het
alternatief is diepere involvatie in de drug-subcultuur met de
daaraan verbonden gevaren van zwaarder druggebruik en ander
verboden deviant gedrag.
3.7.4. Groter dan het gevaar van de criminogene
werking die uit kan gaan van de drug-subcultuur is het risico van
een ongunstige invloed op de werkhouding van de deelnemer aan
deze subcultuur. Onder invioed van de levens-filosofie waarin
weinig waarde wordt gehecht aan arbeid en individuele prestatie,
waarin het accent valt op ontspannen en genieten hier en nu, is
de verleiding groot studie en opleiding die inspanning vergen, op
te geven.
Cohen (4) vond een verband tussen zwaar
druggebruik en het in mindere mate voltooien van de opleiding.
Buikhuisen en Timmerman (7) constateerden dat de
scholieren-gebruikers significant minder tijd aan hun huiswerk
besteedden en in het verleden vaker waren blijven zitten dan
niet-gebruikers. Ook bleken druggebruikers meer te spijbelen dan
scholieren uit de controle-groep. Zoals Buikhuisen t.a.p. ook met
nadruk stelt, kan men uit deze correlaties geen causaal verband
afleiden. Verder onderzoek is nodig om de vraag te beantwoorden
of de negatieve houding ten aanzien van school en andere
opleidingen het gevolg is van participatie in de drug-subcultuur
of dat b.v. onvrede met het schoolsysteem, de sfeer op school of
de inrichting van de studie, hebben geleid tot druggebruik.
Wel zijn er aanwijzingen dat niet gebrek aan
belangstelling of een laag intelligentieniveau verantwoordelijk
gesteld moeten worden voor het druggebruik. Het onderzoek in
Gieten (8) wees uit dat jongeren die regelmatig dat gedeelte van
het jeugdcentrum bezochten, waar drugs werden gebruikt, niet
alleen meer lazen, maar ook meer lazen over andere zaken: kunst,
politiek, wetenschap en filosofie, dan de jongeren uit de beide
controle-groepen. Het door Timmerman en Buikhuisen aangehaald
onderzoek van R. H. Blum (9) en het reeds eerder genoemde
onderzoek van Mik (10) rechtvaardigen niet de hypothese van een
geringere intelligentie.
Johnson(11) vond in een diepgaand onderzoek
geen verband tussen matig druggebruik (alleen cannabis) en
schoolprestaties. Wel constateerde hij een relatie tussen zwaar
druggebruik en verminderde schoolprestaties. De zware
druggebruikers vertoonden ook significant meer andere vormen van
deviant gedrag. Johnson kwam tot de conclusie dat hier gesproken
moet worden van een deviante levensstijl.
Druggebruik is naar zijn mening een element van
deze levensstijl dat hieruit moeilijk geisoleerd kan worden. Met
andere woorden, deze onderzoeker vond een relatie tussen deviante
levensstijl en slechtere schoolprestaties en niet speciaal tussen
(zwaar) druggebruik en schoolprestaties.
De leden van de werkgroep die in de praktijk te
maken hebben met het drugprobleem, hadden de indruk dat
intensieve participatie aan de drug-subcultuur de wil om de
gekozen opleiding tot een goed einde te brengen dikwijls nadelig
beinvioedt en soms in het afbreken van de opleiding resulteert.
Dat neemt niet weg dat in vele gevallen onvrede met de situatie
waarin men verkeert, aan het druggebruik vooraf zal zijn gegaan.
Zolang de maatschappij die sommige jongeren
voor ogen staat - veel vrije tijd en weinig arbeid - nog niet is
gerealiseerd, betekent het voortijdig afbreken van de opleiding
een ernstige handicap bij de verdere ontplooiing van de
persoonlijkheid. Tenzij de jeugdige over bijzondere artistieke
gaven beschikt, zal hij met arbeid die beneden zijn potentieel
niveau ligt, in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Die arbeid
zal hij, hoe dan ook, gedurende een deel van zijn leven moeten
verrichten. De werkgroep acht dit geen aanlokkelijk perspectief,
ook niet, wanneer men rekening houdt met de mogelijkheid dat het
verrichten van beroepsarbeid in de toekomst minder tijd in beslag
zal nemen dan nu het geval is.
(1) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, drug-gebruik en druggebruikers, Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14e jrg.,p.51.
(2) Interimrapport van de Canadese Le Dain-Commissie.
(3) E. Trist 'Urban North America: The Challenge of the Next Thirty Years', paper read at the Conference 'Towards a Healthy Community', Edinburgh, sept.1969 (W.F. M H).
(4) H. Cohen, Psychologie, sociale psychologie en sociologie van het deviante drug-gebruik, september 1969, stencil.
(5) W. Buikhuisen e.a., Druggebruik: de eerste kennismaking, Nederlands tiidschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.
(6) R. F. Beerling 'Hydra macht*Wijsgerig perspectief, mei 1971,11e jrg.
(7) W. Buikhuisen en H. Timmerman e a Sociologische kenmerken van scholieren die drugs gebruiken, Nederlands tijdschrift vo`or criminologie, sept.1970,12e jrg.
(8) Druggebruik in Gieten, een veldonderzoek verricht door het criminologisch insti-tuutvan de rijksuniversiteit Groningen, o.a. pp. 69 en 78.
(9) R. H. Blum & associattes, Student and drugs, Jossey-Bass inc., San Francisco,1969 en 1970.
(10) G. Mik, Ervaringen met jongeren van nu vanuit een nieuwe vorm van hulpverle-ning. Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, huisarts en weten-schap,2 febr.1971,14e jrg.
(11) B. D. Johnson, social determants of the
use of 'dangerous drugs' by college stu-dents, stencil.