Hoofdstuk 3. Sociale aspecten van het druggebruik

In het vorige hoofdstuk kwam herhaaldelijk ter sprake het zoeken naar een eigen identiteit in de adolescentiejaren. De werkgroep wil ten aanzien van het begrip identiteitsproblemen hier enige kanttekeningen maken.

Vragen naar en onzekerheid omtrent de eigen identiteit treden in het algemeen tijdens pubertijd en adolescentie op, en spelen een normale rol in het individuatie-proces. (Overal elders in dit rapport worden puberteit en adolescentie samengevat onder 'adolescentie'.) Als identiteitsproblemen op die leeftijd geheel zouden ontbreken, zou dit zelfs een reden tot ongerustheid kunnen vormen. De werkgroep meent dan ook dat jongeren die zich gesteld zien voor de opgave identiteitsproblemen te verwerken, in een normale, aan leeftijdsfase gebonden levenssituatie verkeren. De integratie van de jeugdigen in de z.g. volwassenwereld is te beschouwen als een emancipatieproces. De verwerking van allerlei crisis-situaties kan mislukken, dit geldt ook met betrekking tot de verwerking van identiteitsproblemen. Bij hun pogingen deze problemen op te lossen, zien sommige jongeren mogelijkheden in het experimenteren met drugs. Anderen trachten de problemen door het gebruik te ontvluchten.

Bij dit alles speelt ook de interactie binnen groepen van leeftijdsgenoten, waarbij groepsleden zich orienteren op de leiders, een belangrijke rol.

3.1. Generatiebewustziin

In het rapport van de werkgroep Drugs Drente(1) wordt gesteld dat 'de rol van de volwassen opvoeder als identificatieobject steeds kleiner wordt, terwijl de groep leeftijdsgenoten deze functie overneemt'. 'De groep vijftien-tot vijfentwintigjarigen van nu', aldus dit rapport, 'heeft een veel groter groeps/generatiebewustzijn dan die van vroeger.' De communicatiemedia en de handel die de jeugd als nieuw en koopkrachtig publiek ontdekten, hebben zeker tot deze ontwikkeling bijgedragen, zoals in dit rapport wordt gesteld. Daarnaast zijn echter een aantal factoren, die in het vorige hoofdstuk aan de orde kwamen, van invloed op de kracht waarmee de jongeren zichzelf als groep presenteren.

3.2. Ideologische achtergrond

De angst die kenmerkend is voor de adolescentieperiode wordt versterkt door de groter geworden discrepantie tussen biologische en emotionele rijping, terwijl ook de als dreigend ervaren hedendaagse problemen die angst nog verhevigen. Een deel van de jeugd zoekt een uitweg via een nieuwe levensstijl die tot een betere, minder angstwekkende samenleving zal leiden. Zij willen de heersende ideologie waarin naar hun mening het accent ligt op arbeid, prestatie en competitie en die een materialistische, gevoelsarme samenleving heeft voortgebracht, vervangen door een nieuwe ideologie, meer gericht op samenwerking, creativiteit en diepergaande menselijke contacten. Daarnaast is er het streven om zich voor te bereiden op een leven waarin de beroepsarbeid een minder belangrijke plaats zal innemen dan nu het geval is (2) (3). In deze ideologie kunnen reizen, mediteren en ook druggebruik worden ingepast. Druggebruik is echter niet onlosmakelijk met bovengeschetste ideologie verbonden. Enerzijds zijn er veel jongeren die een dergelijke levens- en maatschappijbeschouwing aanhangen zonder drugs te gebruiken, anderzijds gebruiken veel jongeren drugs zonder daaraan een bepaalde levenshouding te verbinden. Bovendien vindt men, evenals bij andere idealistische stromingen, ook hier niet zelden een discrepantie tussen de ideologie die wordt aangehangen en de dagelijkse praktijk. De hierboven geschetste ideologie geeft slechts het klimaat aan waarin het druggebruik snel in omvang kon toenemen.

3.3. Snelle verspreiding

Bij de toeneming dient ook te worden bedacht dat bewust levende jongeren die verscheidene door de samenleving in meerderheid vanzelfsprekend geachte of althans aanvaarde toestanden verwerpen, omringd worden door meelopers die de andere levensstijl van deze 'zoekers' overnemen, zonder zelf deel te hebben aan hun geestelijke achtergrond. Het verschijnsel 'meelopers' is overigens niet beperkt tot druggebruik, subcultuur of jeugd.

Voorts verspreiden sociale verschijnselen zich tegenwoordig bijzonder snel over grote geografische afstanden, zodat bewegingen die in de Verenigde Staten hun oorsprong vonden als reactie op gebeurtenissen en situaties daar - de oorlog in Vietnam, het negervraagstuk, de automatisering - in korte tijd West-Europa bereikten. Ook hier speelt naast echte verontrusting een mode-aspect dat stimuleert tot nabootsing, een rol.

3.4. Subsultuur

In verband met de van het heersende waardesysteem afwijkende ideologie valt dikwijls het woord subcultuur, waarbij niet altijd duidelijk is waarop men precies het oog heeft. Elke pluriforme maatschappij is opgebouwd uit groeperingen en kringen die worden gekenmerkt door een eigen stijl. Het begrip

subcultuur werd in de sociologie oorspronkelijk gebruikt ter aanduiding van de leefwijze van minderheidsgroepen in een gedifferentieerde samenleving. Zo werd in de Verenigde Staten gesproken van de kerncultuur of dominante cultuur van de engelstalige, protestante middenstanders tegenover de subcultuur van b.v. Rooms-Katholieken, Italianen of Polen, negers en arbeiders.

Daarnaast heeft het woord subcultuur een tweede betekenis gekregen in de zin van 'underground'. Het gaat hier om de leefwijze van de jongeren in de Verenigde Staten en vele landen van West-Europa die de hierboven geschetste ideologie in allerlei variaties aanhangen en zich ook in haardracht en kleding onderscheiden van hen die naar hun mening tot het 'establishment' behoren.

Deze jeugd-subcultuur oefent een steeds grotere aantrekkingskracht op de jongeren uit. De omvang van deze stroming zowel wat betreft het aantal jongeren als met betrekking tot de geografische spreiding, doet vermoeden dat hier meer aan de hand is dan het van ouds bekende generatieconflict.

3.5. De 'Scene'

Zoals reeds werd vermeld, bevordert de sfeer in deze subcultuur het druggebruik, voor een deel wordt de sfeer echter ook weer bepaald door dit gebruik. Toch zou de werkgroep de jeugd-subcultuur niet gelijk willen stellen aan de 'scene'. In de subcultuur worden de risico's van matig druggebruik geaccepteerd, terwijl in de 'scene' het druggebruik centraal staat. De 'scene' bestaat uit een groep of een aantal elkaar overlappende groepen waarvan de leden elkaar min of meer regelmatig ontmoeten en drugs gebruiken. Muziekbeleving en een speciaal taalgebruik spelen een belangrijke rol in de 'scene'.

3.6. Proselyteren en handel

Bij de 'scene' horen 'omturnen' en handel.

3.6.1. Iemand overhalen om ook bepaalde drugs te gebruiken, heet 'omturnen'. In de literatuur wordt dit proselyteren genoemd. Dit proces verloopt anders bij opium dan bij hashish en L.S.D. De belangrijkste elementen in het omturngedrag zijn:

a. Een vorm van imitatie.

De gebruiker leert uit gesprekken met anderen dat omturnen min of meer van hem verwacht wordt.

b. Het verlangen om vrienden iets nieuws te leren.

Men heeft zelf pas kennis gemaakt met een bepaalde stof en die ervaring leren waarderen, nu wil men anderen in die aangename ervaring laten delen. Wanneer de poging succes heeft, kan men er zelfs een zekere status aan ontlenen.

c. Een vorm van magisch denken.

Men gelooft dat slechts een enkele drugervaring voldoende is om iemand ten goede te veranderen, o.a. doordat bepaalde remmingen en conditioneringen worden opgeheven.

Vooral beginnende druggebruikers tonen vaak een zekere geestdrift met betrekking tot het omturnen.

Uit het onderzoek van Cohen (4) blijkt dat 86% van de ondervraagde gebruikers van hashish deze stof de eerste keer van vrienden kreeg. Opiumgebruikers gedragen zich terughoudender in het aanbevelen. Blijkens hetzelfde onderzoek haalt 77% van de opiumgebruikers anderen nooit over tot dit gebruik, tegen 36% van de hashishgebruikers. Daarentegen heeft toch nog 75% van de opiumgebruikers deze stof voor het eerst van vrienden gekregen. Uit laatstgenoemd gegeven kan men concluderen dat ook bij opiumgebruik vrienden een belangrijke rol spelen.

3.6.2. Tussen handelstransacties en vriendendiensten bestaat, anders dan lange tijd werd aangenomen, een nauw verband. Het merendeel van de handelstransacties in drugs vindt plaats tussen vrienden en kennissen. Dikwijls is dit eerder een vorm van dienstverlening dan een commerciele aangelegenheid. Iemand ontdekt toevallig hashish van goede kwaliteit en koopt meer dan hij de eerste tijd kan gebruiken, in de wetenschap dat hij altijd een gedeelte kan doorverkopen als hij geld nodig heeft. Soms brengt een aantal mensen geld bij elkaar om toor het kopen van een grotere hoeveelheid een betere prijs te kunnen bedingen.

De illegale handel in het binnenland wordt voornamelijk bedreven door de kleine handelaar en de handelaar-gebruiker.

Deze laatste koopt om zelf te gebruiken maar ook om een deel weer te verkopen en op deze wijze zijn eigen gebruik te bekostigen. Onder deze kleine handelaren vindt men wel delinquenten maar niet de echte onderwereldfiguren. De handel speelt zich vooral af in de wereld van druggebruikers die geinvolveerd zijn in de 'scene'. Amsterdam waar veel jongeren uit binnen- en buitenland elkaar ontmoeten, is het belangrijkste centrum voor deze handel.

In de illegale internationale handel gaat het om veel grotere hoeveelheden. Hoewel een enkele maal personen die tot de onderwereld behoren zich bemoeien met de internationale handel in verdovende middelen, zijn het toch hier ook vooral de jongeren uit de subsultuur die een belangrijke rol spelen. Zij maken een reisje naar het Verre- of Midden-Oosten, komen met een bepaalde hoeveelheid hennepproducten terug en kunnen met de verkoop daarvan hun onkosten ruimschoots vergoeden. De smokkelwaar wordt soms normaal in de bagage vervoerd, maar zit ook vaak verborgen in andere goederen of in koffers met dubbele bodem.

Een bekende vorm van internationale handel is het verzenden van hennep producten uit landen in het Oosten, verpakt in onschuldig uitziende goederen, zoals meubelen, poppen of beesten.

Wanneer het om kleine hoeveelheden gaat die in kleine pakjes kunnen worden geborgen, wordt eerst in ons land een contactadres gezocht waarheen men de pakjes kan zenden. Vervolgens worden de pakjes door iemand bij de contactadressen opgehaald, waarna de handel kan beginnen. Veelal weet degene bij wie de pakjes worden thuisbezorgd, niet eens precies waar het om gaat.

Wanneer een grotere partij het land binnenkomt, wordt deze ergens verdeeld en in gedeelten naar een aantal adressen gebracht van waaruit men de handel voortzet.

Recentelijk hebben zich een aantal gevallen voorgedaan waaruit blijkt dat ons land ook wordt gebruikt als transitoland. Meerdere malen werden buitenlanders op Schiphol aangehouden in het bezit van grote hoeveelheden hashish die men had willen meenemen naar andere landen. Deze partijen varieren van enkele tot enige tientallen kilogrammen.

Een door Cohen uitgevoerde nadere analyse van de handelspatronen bij de verschillende drugs wijst uit dat de handel in hashish de grootste spreiding vertoont, terwijl de opiumhandel de minste deelnemers telt. L.S.D. en amfe-taminen nemen een tussenpositie in (4).

Uit het onderzoek van Buikhuisen e.a. naar de eerste kennismaking met drugs(5) bleek dat iets meer dan de helft van de gebruikers drugs uitsluitend via vrienden kreeg. De rest (43%) kocht de middelen ook wel eens van een handelaar.

De verhouding tussen de opiumhandelaar en de opiumgebruiker is anders dan de relatie tussen de handelaar in hashish en/of L.S.D. en de gebruiker.

De opiumhandelaren worden niet zelden 'achtervolgd' door de gebruikers die dit middel op alle uren van de dag en de nacht nodig hebben. Dit is ook de reden waarom hashish handelaren niet graag met opium beginnen . Zij wensen niet in het holst van de nacht uit hun bed gebeld te worden. Anderzijds hebben de opiumhandelaren een vrij grote machtspositie, omdat zij iemand een door hem zeer gewaardeerd middel kunnen geven of onthouden.

Weer anders verloopt de handel in L.S.D. Er zijn meer handelaren en hun afnemers achten hun behoeften met vijf tot tien trips voor maanden, zo niet voor jaren gedekt. Met het kopen van L.S.D. kan men zo nodig rustig wachten tot zich een gelegenheid voordoet om het te kopen. Een band met de handelaar - vaak ook verkoper van hashish - is er dientengevolge niet. Op het allerlaagste niveau - straathandel - is er nogal eens sprake van bedrog, maar daar staat tegenover dat ook trips worden weggegeven of tegen lage prijzen verkocht.

Tot voor kort werd bijna uitsluitend in cannabis, L.S.D. en opium gehandeld.

Af en toe werden kleine hoeveelheden heroine binnengesmokkeld.

Reeds vanaf 1964 werd regelmatig amfetamine aangeboden in kleine hoeveelheden met incidentele 'pieken'. Sedert 1970 valt echter een verontrustende toeneming van amfetaminen op de illegale markt te constateren, mede ten gevolge van het optreden van handelaren die zich min of meer in deze stoffen hebben gespecialiseerd.

3.7. Invioed van de subcultuur op de participanten

De subcultuur 'waarin', zoals Beerling (6) het uitdrukt 'een zekere beschutting wordt gezocht tegen de snijdende wind die buiten waait', heeft positieve aspecten, maar bergt ook grote gevaren in zich.

3.7.1. Gebruikers van cannabis komen er in aanraking met andere drugs en dit kan tot riskante experimenten leiden. Uit het eerder genoemd onderzoek van Cohen blijkt dat van de regelmatige gebruikers van cannabis 70% incidenteel ook andere drugs gebruikt. Dit is waarschijnlijk niet een bevestiging van de 'klassieke' steppingstone-hypothese, waarop in hoofdstuk 6 nog zal worden teruggekomen, maar het gevolg van contacten binnen de subcul-tuur.

3.7.2. De subcultuur kan een functie vervullen bij de volwassenwording.

Allerlei interessen kunnen avorden gewekt en versterkt, sociale contacten kunnen worden verbeterd en uitgebreid. De suboultuur kan echter ook het individu in een steeds groter isolement drijven. De subcultuur is geen panacee tegen de eenzaamheid, sommigen zullen zich er steeds eenzamer gaan voelen.

3.7.3. Een afwijzende houding van de maatschappij versterkt het onderlinge gevoel van saamhorigheid, maar ook het isolement ten opzichte van die maatschappij. Indien de afwijzing scherp is, bestaat het gevaar dat het individu zich vastbijt in het gedrag dat door de samenleving als afwijkend wordt beschouwd. De intensiveri ng van afwijkend gedrag als gevolg van stigmatisering kan met secundaire deviatie worden aangeduid. Deze secundaire deviatie treedt op als de deviant geen uitweg meer ziet, hetzij omdat hij zijn gedrag niet in de door de samenleving gewenste richting kan veranderen, hetzij omdat hij de afwijzing ongerechtvaardigd acht of door een combinatie van beide factoren. In termen van druggebruik betekent het bovenstaande dat de gebruiker bij een intolerante bejegening tot een zwaarder gebruikspatroon zal overgaan, d.w.z. gebruik met grotere frequentie, in grotere doses en van meerdere soorten drugs. Dit zwaardere gebruikspatroon gaat, zoals reeds werd beschreven, ook met grotere handelsactiviteiten gepaard. Deze kunnen weer tot diefstal en valsheid in geschrifte leiden.

De afwijzing van de samenleving wordt het sterkst ervaren bij strafrechtelijk ingrijpen, vooral wanneer dit bestaat uit vrijheidsbeneming. Wrok jegens de samenleving en een reeele vermindering van maatschappelijke mogelijkheden maken dan terugkeer naar het vroegere milieu vaak zeer moeilijk. Het alternatief is diepere involvatie in de drug-subcultuur met de daaraan verbonden gevaren van zwaarder druggebruik en ander verboden deviant gedrag.

3.7.4. Groter dan het gevaar van de criminogene werking die uit kan gaan van de drug-subcultuur is het risico van een ongunstige invloed op de werkhouding van de deelnemer aan deze subcultuur. Onder invioed van de levens-filosofie waarin weinig waarde wordt gehecht aan arbeid en individuele prestatie, waarin het accent valt op ontspannen en genieten hier en nu, is de verleiding groot studie en opleiding die inspanning vergen, op te geven.

Cohen (4) vond een verband tussen zwaar druggebruik en het in mindere mate voltooien van de opleiding. Buikhuisen en Timmerman (7) constateerden dat de scholieren-gebruikers significant minder tijd aan hun huiswerk besteedden en in het verleden vaker waren blijven zitten dan niet-gebruikers. Ook bleken druggebruikers meer te spijbelen dan scholieren uit de controle-groep. Zoals Buikhuisen t.a.p. ook met nadruk stelt, kan men uit deze correlaties geen causaal verband afleiden. Verder onderzoek is nodig om de vraag te beantwoorden of de negatieve houding ten aanzien van school en andere opleidingen het gevolg is van participatie in de drug-subcultuur of dat b.v. onvrede met het schoolsysteem, de sfeer op school of de inrichting van de studie, hebben geleid tot druggebruik.

Wel zijn er aanwijzingen dat niet gebrek aan belangstelling of een laag intelligentieniveau verantwoordelijk gesteld moeten worden voor het druggebruik. Het onderzoek in Gieten (8) wees uit dat jongeren die regelmatig dat gedeelte van het jeugdcentrum bezochten, waar drugs werden gebruikt, niet alleen meer lazen, maar ook meer lazen over andere zaken: kunst, politiek, wetenschap en filosofie, dan de jongeren uit de beide controle-groepen. Het door Timmerman en Buikhuisen aangehaald onderzoek van R. H. Blum (9) en het reeds eerder genoemde onderzoek van Mik (10) rechtvaardigen niet de hypothese van een geringere intelligentie.

Johnson(11) vond in een diepgaand onderzoek geen verband tussen matig druggebruik (alleen cannabis) en schoolprestaties. Wel constateerde hij een relatie tussen zwaar druggebruik en verminderde schoolprestaties. De zware druggebruikers vertoonden ook significant meer andere vormen van deviant gedrag. Johnson kwam tot de conclusie dat hier gesproken moet worden van een deviante levensstijl.

Druggebruik is naar zijn mening een element van deze levensstijl dat hieruit moeilijk geisoleerd kan worden. Met andere woorden, deze onderzoeker vond een relatie tussen deviante levensstijl en slechtere schoolprestaties en niet speciaal tussen (zwaar) druggebruik en schoolprestaties.

De leden van de werkgroep die in de praktijk te maken hebben met het drugprobleem, hadden de indruk dat intensieve participatie aan de drug-subcultuur de wil om de gekozen opleiding tot een goed einde te brengen dikwijls nadelig beinvioedt en soms in het afbreken van de opleiding resulteert. Dat neemt niet weg dat in vele gevallen onvrede met de situatie waarin men verkeert, aan het druggebruik vooraf zal zijn gegaan.

Zolang de maatschappij die sommige jongeren voor ogen staat - veel vrije tijd en weinig arbeid - nog niet is gerealiseerd, betekent het voortijdig afbreken van de opleiding een ernstige handicap bij de verdere ontplooiing van de persoonlijkheid. Tenzij de jeugdige over bijzondere artistieke gaven beschikt, zal hij met arbeid die beneden zijn potentieel niveau ligt, in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Die arbeid zal hij, hoe dan ook, gedurende een deel van zijn leven moeten verrichten. De werkgroep acht dit geen aanlokkelijk perspectief, ook niet, wanneer men rekening houdt met de mogelijkheid dat het verrichten van beroepsarbeid in de toekomst minder tijd in beslag zal nemen dan nu het geval is.

(1) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, drug-gebruik en druggebruikers, Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14e jrg.,p.51.

(2) Interimrapport van de Canadese Le Dain-Commissie.

(3) E. Trist 'Urban North America: The Challenge of the Next Thirty Years', paper read at the Conference 'Towards a Healthy Community', Edinburgh, sept.1969 (W.F. M H).

(4) H. Cohen, Psychologie, sociale psychologie en sociologie van het deviante drug-gebruik, september 1969, stencil.

(5) W. Buikhuisen e.a., Druggebruik: de eerste kennismaking, Nederlands tiidschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.

(6) R. F. Beerling 'Hydra macht*Wijsgerig perspectief, mei 1971,11e jrg.

(7) W. Buikhuisen en H. Timmerman e a Sociologische kenmerken van scholieren die drugs gebruiken, Nederlands tijdschrift vo`or criminologie, sept.1970,12e jrg.

(8) Druggebruik in Gieten, een veldonderzoek verricht door het criminologisch insti-tuutvan de rijksuniversiteit Groningen, o.a. pp. 69 en 78.

(9) R. H. Blum & associattes, Student and drugs, Jossey-Bass inc., San Francisco,1969 en 1970.

(10) G. Mik, Ervaringen met jongeren van nu vanuit een nieuwe vorm van hulpverle-ning. Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, huisarts en weten-schap,2 febr.1971,14e jrg.

(11) B. D. Johnson, social determants of the use of 'dangerous drugs' by college stu-dents, stencil.