Hoofdstuk 4. Epidemiologie van het druggebruik in Nederland
4.1. Beschrijvende epidemiologie
In de beschrijvende epidemiologie wordt de
vraag gesteld:
Wie heeft Wat (ziekte of afwijking), Waar en Wanneer?
Daar het hier niet een ziekte in de strikt medische zin betreft,
moest de vraagstelling iets worden gewijzigd.
Achtereenvolgens zullen worden behandeld:
1. De aard der gebruikte middelen en de frequentie van het
gebruik.
2. De omvang van het gebruik.
3. De plaats van het gebruik.
4. De sociografische kenmerken van druggebruikers
4.1.1. De aard der gebruikte middelen en de frequentie van het gebruik.
In dit kader is de trendstudie van Buikhuisen van bijzonder belang. Buikhuisen en Timmerman (1) deden in 1969 een onderzoek naar de omvang van het druggebruik onder middelbare scholieren (eindexamenklassen en 1e klassen van HTS-en en Kunstscholen) en herhaalden dit onderzoek in 1971 (2).
In beide onderzoeken werd gevonden dat cannabis (hashish en marihuana), amfetaminen, L.S.D. en opiaten de meest gebruikte middelen waren.
Buikhuisen schrijft hierover: Wanneer we bijvoorbeeld de vier naar verhouding het meest gebruikte rniddelen nemen (hashish, amfetamine, L.S.D. en de opiaten) dan kunnen we zien dat zowel met betrekking tot hun relatieve plaats als met betrekking tot het percentage gebruikers dat zegt deze middelen gebruikt te hebben, nauwelijks iets veranderd is.
Cohen (3) vond in zijn onderzoek onder regelmatige gebruikers (1968) hetzelfde beeld. Ter vergelijking volgen hieronder de uitkomsten van beide onderzoekers.
Tabel 1. Het gebruik van de meest voorkomende stoffen
| Buikhuisen
1971, scholieren |
Cohen, 1968 regelmatige gebruikers |
|
| Hennep | 95,9% | 92% |
| Amfetaminen | 14,7% | 42% |
| L.S.D. | 11,7% | 24% |
| Opiaten | 6,5% | 20% |
Andere middelen zoals de barbituraten (slaapmiddelen), cocane, andere psychedelica (mescaline, DMT etc.) volgen op vrij grote afstand.
Met betrekking tot de mate (frequentie) van het gebruik vond Buikhuisen in 1 971 de volgende percentages:
Tabel 2. Gebruikspatroon en mate van gebruik van de in 1971 geënqueteerde middelbare scholieren, die wel eens drugs gebruikt hebben (N = 3615)
| Type gebruik | Gebruiksfrequentie Minder dan 20 maal % |
20 maal of meer % |
| Alleen hennep | 59 | 14,3 |
| Hennep en 'hard drugs' | 6,2 | 17,2 |
| Alleen 'hard drugs' | 3,2 | 0,1 |
Cohen hanteerde een tijdsmaat voor de gebruiksfrequentie. Frequent gebruik is dan gebruik dat dagelijks of enkele malen per week plaatsvindt; niet frequent gebruik is het gebruik dat enkele malen per maand tot gemiddeld een maal in de twee maanden plaatsvindt.
Tabel 3. Gebruiksfrequentie van de meest voorkomende stoffen (N = 958)
| Type gebruik | Frequent gebruik | Niet frequent gebruik |
| Hennep | 61 | 39 |
| Amfetaminen | 26 | 74 |
| L.S.D. | 2 (±16% 20x) | 98 (84% 20x) |
| Opium | 25 | 75 |
N.B. De percentages werden berekend over het aantal gebruikers van de diverse stoffen, niet over het totaal aantal gebruikers.
Cohen vond voorts dat de meeste gebruikers met hennep beginnen, waarna velen overgaan - veelal tijdelijk - op andere stoffen. Zowel Buikhuisen als
Cohen vonden dat velen met het gebruik van diverse middelen stopten.
Tabel 4. Het percentage gebruikers dat gestopt is met hennep, L.S.D. of opiaten
| Percentage gebruikers dat laatste half jaar gestopt is |
Percentage gebruikers dat definitief gestopt is |
||
| Buikhuisen 1969 | Buikhuisen 1971 | Cohen 1968 | |
| Hennep | 22,3 | 33,3 | 5,5 |
| L.S.D. | 33,0 | 41,7 | 25 |
| Opiaten | 28,8 | 56,7 | 47 |
4.1.2. De omvang van het gebruik. Hieronder valt allereerst de prevalence, ofwel het aantal gebruikers op een bepaald moment of gedurende een bepaalde periode.
Gadourek en Jessen (4) stelden onder meer vragen over het gebruik van diverse drugs aan een representatieve steekproef van 1600 Nederlanders. Zij vonden dat 2,2% van hun steekproef wel eens kennis had gemaakt met drugs, voornamelijk hennep, L.S.D. en amfetamine. Dit betekent dat er in de leeftijdsgroep van 16 jaar en ouder ongeveer 140.000 gebruikers zijn. Zij gebruiken niet allemaal regelmatig drugs. De Nederlandse stichting voor statistiek (5) vond in 1970, in een steekproef van 1058 mensen boven de 15 jaar 2% druggebruikers.
Ook de diverse onderzoeken naar het druggebruik onder scholieren geven enige aanwijzingen over de omvang van het gebruik.
Buikhuisen vond in 1971 dat 20,3% van de genqueteerde scholieren wel eens drugs gebruikt had. In 1969 was dit percentage nog 11,15. In andere, veelal wat oudere onderzoeken onder scholieren worden lagere percentages genoemd. Van der Wal (6) vond in zijn onderzoek onder Utrechtse scholieren in 1968 practisch geen druggebruik.
Een meer recent onderzoek (7) onder de middelbare scholieren in de provincie Zuid-Holland bracht aan het licht dat 6% van de leerlingen ooit drugs had gebruikt. In de meeste gevallen betrof dit het incidentele gebruik van hennep. Slechts 8 van de 722 leerlingen had ooit andere drugs dan cannabis gebruikt, t.w. amfetaminen en L.S.D.
De 140.000 gebruikers, die door Gadourek en Jessen aan het licht werden gebracht, mag men niet allemaal over een kam scheren. Geerlings (8) vestigt er bijvoorbeeld de aandacht op dat het druggebruik een experimenteerfase kent. Een groot aantal mensen gebruikt hennep, omdat het in is en houdt er even gemakkelijk weer mee op wanneer de vriendengroep van gebruikers uiteen valt of wanneer andere bezigheden de aandachtvragen.
Het min of meer regelmatige gebruik van hennep en het incidentele gebruik van andere middelen onder mensen die verder normaal werken of studeren, wordt het gentegreerde gebruik genoemd. Naar schatting betreft dit een 40.000 personen.
Cohen (3) schatte het aantal druggebruikers in Nederland in het voorjaarvan 1968 op minimaal 13.500 en maximaal 24.000. In diezelfde periode werd door het Medisch Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs in Amsterdam bij de zusterinstellingen genformeerd naar het aantal bij hen bekende in moeilijkheden verkerende druggebruikers. De verkregen informaties gevoegd bij de gegevens van het Amsterdamse bureau betroffen ongeveer 600 probleemgevallen. Eind 1971 waren bij het Amsterdamse Bureau ongeveer 700 druggebruikers bekend die medische of sociale hulp behoefden, waaronder i 25 % buitenlanders. In de rest van het iand bedroeg dit aanta1 + 800. Men kan dus stellen dat op de door Gadourek en Jessen geschatte 140.000 druggebruikers 1200-1500 gebruikers in moeilijkheden geraken.
Onder de omvang van het druggebruik valt ook de incidence. de mate waar in per tijdseenheid meer druggebruik optreedt. Cohen vond vanaf 1960 een gestadige, maar niet explosief te noemen toeneming van het gebruik van hennep, L.S.D., opium en amfetamine.
Meer exacte gegevens verschaft de waardevolle follow-up studie van Buikhuisen:
Tabel 5. Vergelijking van omvang en aard van het druggebruik door middelbare scholieren in 1969 en 1971.(N = resp. 11.659 en 17.808)
| 1969 | 1971 | |
| Percentage scholieren dat wel eens drugs gebruikt heeft | 11,15 | 20,3 |
| Percentage scholieren dat meer dan 20 maal drugs gebruikt heeft | 2,5 | 6,5 |
Op basis van hun onderzoeken hebben Gadourek en Buikhuisen zinvolle uitspraken gedaan over de te verwachten groei van het druggebruik. Hierop wordt later nog teruggekomen.
4.1.3. Waar vindt druggebruik plaats?
Het druggebruik vindt thans plaats in geheel Nederland. De follow-up studies van Buihuisen geven hier betrouwbare gegevens over.
Tabel 6. Het percentage druggebruikers onder scholieren in 1969 en 1971 in grote, middelgrote en kleine steden
| Grote steden | Middelgrote steden | Kleine steden | |
| 1969 | 11,7% | 10,5% | 7,9% |
| 1971 | 21,3% | 19,7% | 17,0% |
De 'provincie' begint heel duidelijk de achterstand in te halen. Bij vergelijking van het druggebruik onder scholieren die in verschillende grote steden wonen, blijkt bovendien dat het verhoudingsgewijze hoge druggebruik onder scholieren niet meer uisluitend een Amsterdamse aangelegenheid ia. Buikhuisen merkt tevens op, 'dat de stijging van het druggebruik onder scholieren in Amsterdam achterblijft bij de landelijke trend (verdubbeling van het aantal gebruikers). Men kan zich afvragen of dit er soms op wijst dat hier het druggebruik naar een bepaald verzadigingspunt toegroeit.' Bepaalde uitkomsten van het veldonderzoek van Cohen geven steun aan deze veronderstelling. Hij vond in 1968 drie patronen van stedelijk druggebruik onder regelmatige gebruikers. In sommige plaatsen begon het druggebruik pas op te komen. Er waren weinig drugs aanwezig, maar wel een grote be-reidheid om ze te gaan gebruiken. Een andere plaats werd gekenmerkt door een zeer fanatiek druggebruik, maar in Amsterdam leek het gebruik meer gentegreerd en a.h.w. uitgekristalliseerd.
Ook de ontwikkeling van het druggebruik binnen Amsterdam vanaf 1968 vertoont de genoemde verschuivingen (9).
Het bovenstaande laat uiteraard de mogelijkheid open dat binnen de grote steden nieuwe groepen, die pas na jaren hun mogelijke verzadigingspunt zullen bereiken, tot druggebruik overgaan.
In 1968 was het druggebru ik overigens voornamelijk beperkt tot Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Dordrecht. De overige grote plaatsen telden nauwelijks meer dan 100-150 min of meer regelmatige druggebruikers.
4.1.4. Sociografische kenmerken van druggebruikers
Uit de onderzoeken van Gadourek en Jessen, Buikhuisen en Cohen zijn een aantal sociografische gegevens van druggebruikers bekend geworden. Hier-na zullen de voornaamste eru it worden gelicht:
Leeftiid: Gadourek vond dat de druggebruikers tot de jongere leeftijdsgroe-pen behoorden. 83% van dF gebruikers was jonger dan 30 jaar. Cohen vond een gemiddelde leeftijd vah 23,2 jaarl 90% van zijn respondenten was jonger dan 30 jaar. Buikhuisen vond een verschuiving in de leeftijd van druggebrui-kende scholieren. In 1969 waren deze scholieren bijna een jaar ouder dan niet-gebruikers; in 19i1 was er nauwelijks enig verschil in leeftijd tussen ge-bruikers en niet-gebruikers.
Sexe: Gadourek en Jessen (1971) vonden in hun representatieve steekproef een sexe-ratio van 3 op 1. Tegenover 3 druggebruikende mannen stond n vrouw. Buikhuisen trof in 1969 onder scholieren een sexe-ratio van 2: 1 aan.
In 1971 bleek in de scholieren-populatie het verschil tussen jongens en meis-jes kleiner geworden te zijn. De verhouding jongens/meisjes is nu ongeveer 11/2:1.
Sociale klasse: Buikhuisen vond eveneens een verschuiving in sociale klas-se. Gold twee jaar geleden nog dat de druggebruikers naar verhouding meer uit de hoogste sociale klassen afkomstig waren en dat met name de midden-klasse ondervertegenwoordigd was, nu, twee jaar later, is van dit alles geen sprake meer. De verdeling van de sociale klasse van de gebruikers is nage-noeg gelijk aan die welke men aantreft in de totale populatie van scholieren. Cohen vond voorts dat druggebruikers weinig godsdienstig waren (80% gaf op geen geloof te hebben), een goede schoolopleiding hadden genoten (45% had de HBS afgemaakt en 8% een hogere vakopleiding of universitaire opleiding) en vaak werkzaam waren in artistieke beroepen.
Hij vond tevens een verband tussen de zwaarte van het druggebruik (opium en amfetaminen) en sociografische variabelen als sexe (man), leeftijd onder de 20 jaar, laag ouderlijk milieu en het feit, dat men noch werkt, noch stu-deert.
4.2. Analytische epidemiologie
De analytische epidemiologie van het druggebruik stelt de vraag naar het waarom of het waardoor van het druggebruik. De hierboven vermelde ge-gevens kunnen het antwoord op deze vraag niet leveren. Wel is er ander ma-teriaal beschikbaar.
In het kort zij hier vermeld dat uit de onderzoeken van Johnson, Goode en Cohen de participatie en involvatie in druggebruikende groepen als be langrijkste variabele samenhangend met druggebruik naar voren komt. Goode (10) en Cohen (11 ) vonden met toenemende involvatie in de drugcul-tuur en grote frequentie van het hennepgebruik (dagelijks) alsmede het ge-bruikvan zwaardere middelen.
Johnson (12) vond dat met name de - kleine - verkoop van hennep leidde tot vriendschap met hard druggebruikers. Door deze vriendschap komt men zelf ook tot het gebruik van hard drugs. Met betrekking tot het beleid stelt hij: De wet, die hennep tot illegaL~e stof verklaart, leidt tot illegale verkoop van hennep, leidt tot contact met mensen die zwaardere middelen gebruiken, leidt tot multi-druggebruik.
De follow-up studies van Buikhuisen rechtvaardigen een aantal verwachtin-gen omtrent het verdere verloop van het druggebruik onder scholieren. De werkgroep zal zijn uitspraken kort samenvatten en van commentaar voorzien.
a. Het percentage scholieren dat zegt weleens drugs gebruikt te hebben is in twee jaar ongeveer verdubbeld. Het percentage gebruikers dat inmiddels weer is opgehouden met het gebruik van bepaalde middelen is echter ook aanzienlijk gestegen. Dit kan wijzen op een experimenteerperiode.
b. Voor de hard drugs geldt dat zij verhoudingsgewijs een gering aandeel hebben en dat hun relatieve posities niet verschoven zijn. Dit zou kunnen wijzen op een consolideringsproces.
c. Leeftijdsverschillen en verschil in sociale klasse zijn verdwenen, de sexe-verschillen ziin verminderd. Dit zou erop kunnen wijzen dat het druggebruik ziin exclusief karakter aan het verliezen is. Vooral hennep is ook aanvaard-baar voor doorsnee-jongens en -meisjes. Cohen vond eveneens dat in de be-ginfase van het druggebruik andere mensen (veelal extremer en meer gestoord) aangetrokken worden dan in latere fasen. Er komen steeds andere gebruikersgroepen, waardoor elke stereotypie of generalisatie snel onbruik-baar wordt.
d. In steden waar in 1969 het gebruik relatief hoog was, is de stijging van het aantal druggebruikers onder de landelijke trend gebleven. Buikhuisen ziet hierin een groei naar een verzadigingspunt. Hij zegt: Op grond van bovenge-noemde gegevens verwachten wij in concreto (maar meer dan veronderstel-lingen zijn dit niet) dat het aantal druggebruikers nog wel zal toenemen, vooral in de kleinere steden en onder meisjes, maar dat het hoogtepunt, vooral in de grote steden al aardig benaderd wordt.
Voor wat betreft de middelbare scholieren kan de werkgroep de veronder-stellingen van Buikhuisen wel onderõchrijven. Men dient er echter rekening mee te houden dat het incidenteel en experimenteel gebruik van hennep op sommige middelbare scholen de 40-50% zal naderen, m.a.w. dat het daar ongeveer hetzelfde karakter krijgt als het alcoholgebruik.
Met betrekking tot het druggebruik door andere groepen ziet de toekomst er niet rooskleurig uit. Gadourek wijst bijvoorbeeld op de diffusie-theorie en spreekt de verwachting uit dat het druggebruik zal doorsijpelen naar mensen met een lager opleidingspeil, zonder suboulturele normen en ideologie, die niet zelden in een probleemvolle sociale situatie verkeren.
If this gloomy perspective comes out, we are likely to be confronted with high frequency of addiction to hard drugs, for it is in the situation of isolation and rejection that the hard drugs-use flourishes. Men ziet dit nu reeds optre-den bij groepen werkende jongeren die verder geen contact onderhouden met ludieke jeugdcentra of de gevest~}de drug-scenes.
(1) W. Buikhuisen en H. Timmerman, Druggebruik onder middelbare scholieren, Nederlands tijdschrift voor criminologie, september 1970,12e jrg .
(2) W. Buikhuisen en H. Timmerman, De ontwikkeling van het druggebruik onder middelbare scholieren, Nederlands tijdschrift voor criminologie, december 1971,13e jrg .
(3) H. Cohen, Psychologie, sociale psychologie en sociologie van het deviante drug-gebruik. September 1969, stencil.
(4) I. Gadourek en J. L. Jessen, Proscription and acceptance of drugs-taking habits in the Netherlands, Mens en maatschappij, herfst 1971, 46e jrg. nr. 4.
(5) Nederlandse stichting voor statistiek, Drugs in Nederland 11,1971. g
(6) H. J. van der Wal, Alcohol en drugs, Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek, Amsterdam 1969, niet gepubliceerd.
(7) Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek, Amsterdam 1970, nog niet gepubli-ceerd.
(8) P. J. Geerlings, Ambulante hulp voor druggebruikers in Amsterdam, In: W. K. van
Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand, Bussum 1970. p. 158-160.
(9) H. Cohen, Samenleving en drugcultuur, Artikel 2 t/m 5. Intermediair. Okt.-nov.1970.
(10) E. Goode, Multiple Drug Use among Marijuana Smokers, Social problems, XVII (Summer, 1969)p. 48-64. Zie ook: The Marijuana Smokers, Basic Books. N. Y. 1970.
(11) H. Cohen, Multiple Drug Use considered in the light of the stepping-stone hypo-thesis, Te verschijnen in Int. J. Add.
(12) B. D. Johnson, Social Determinants of the Use of Dangerous Drugs, bij College Students, Columbia University 1971, Mimeo.