Hoofdstuk 5. Geldend recht inzake drugs
Het geldend recht inzake drugs wordt bepaald door verdragsverplichtingen, de deels daarop gebaseerde nationale wetgeving en de wijze waarop de wettelijke bepalingen worden gehandhaafd.
De wettelijke bepalingen zijn vervat in:
de Opiumwet van 12 mei 1928 Stb. 167 en de
beschikkingen en besluiten gegeven ter uitvoering van deze wet;
de Wet op de geneesmiddelenvoorziening van 28 juli
1958 Stb. 408 en de beschikkingen en besluiten gegeven ter
uitvoering van deze wet;
de Wegenverkeerswet van 13 september 1935 Stb. 554,
de artikelen 26, 35 en. 36.
De handhaving vindt plaats door middel van toezicht (inspectie voor de geneesmiddelen), opsporing, vervolging en rechterlijke beslissingen. Toezicht, opsporing, vervolging en rechterlijke beslissingen laten het geldend recht in actie zien.
5.1. Verdragen en hun betekenis voor de nationale wetgeving
De Opiumwet van 1928 bracht de nationale wetgeving in overeenstemming met de bepalingen van het op 19 februari 1925 te Geneve gesloten Opiumverdrag. Dit verdrag vormde een aanvulling op de Opiumconventie van 1912 waarop de Opiumwet van 1919 was gebaseerd. De memorie van toelichting op de Opiumwet van 1928 vermeldt: Het Verdrag van 1925 strekt zich uit over een uitgebreider gebied doordat zowel cocablad, ruwe cocaine en ecgonine als Indische hennep en de hieruit bereide schadelijke stoffen als hashish en dergelijke, onder het nieuwe verdrag vallen. In de Opiumwet van 1928 is dan ook voor het eerst Indische hennep in de verbodsbepalingen opgenomen. Verboden werd de in- en uitvoer en de doorvoer. Het Verdrag van 1925 werd nog zevenmaal met verdragen of protocollen aangevuld. Het voornaamste doel van alle verdragen was effectieve controle op teelt en fabricage van en handel in verdovende middelen opdat deze alleen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden beschikbaar zouden zijn.
Vermelding verdient het op 26 juni 1936 te Geneve ondertekende Verdrag tot onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen, zoals dit werd gewijzigd bij het op 11 december 1946 te New York ondertekende Protocol, omdat dit Verdrag van 1936 aanleiding was tot de wijziging van de Opiumwet van 18 juni 1953 Stb. 322. Bij laatstgenoemde wijziging werd het strafmaximum verhoogd van een jaar gevangenisstraf tot vier jaar gevangenis straf, terwijl t.a.v. hennep nu ook het bezitten, aanwezig hebben of aanwenden strafbaar werd gesteld (artikel 3).
De onoverzichtelijkheid van de in totaal negen internationale overeenkomsten betreffende verdovende middelen noopte tot een tiende verdrag, te weten het Enkelvoudig Verdrag van New York inzake verdovende middelen van 30 maart 1961, tot stand gekomen in het kader van de Verenigde Naties. Dit verdrag trad op 15 augustus 1965 voor Nederland in werking (goedkeuring bij Wet van 2 maart 1964 Stb. 111 ) en verving alle voorgaande verdragen tussen partijen bij dit verdrag.
5.1.1. Het Enkelvoudig Verdrag
Doelstelling van het Enkelvoudig Verdrag is blijkens de considerans het nemen van doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen door een gecoördineerd wereld omspannend optreden en door beperking van het gebruik van die verdovende middelen tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden.
In artikel 1 onder j. wordt bepaald: "(Verdovend Middel) betekent elk der stoffen genoemd in de lijsten I en 11, hetzij natuurlijk hetzij synthetisch. Indien een middel tevens voorkomt op lijst IV betekent dit dat het middel in bijzondere mate aanleiding kan geven tot misbruik en tot een nadelige uitwerking en dat daartegenover geen aanzienlijke therapeutische voordelen staan die niet met behulp van andere bekende middelen zouden kunnen worden verkregen (artikel 3, vijfde lid) . Ten aanzien van de stoffen opgenomen in lijst IV wordt Partijen een verbod of anders een bijzonder toezicht aanbevolen (art. 2, vijfde lid). Op lijst IV staan cannabis en cannabishars, desomorphine, heroïne, metobemidon, aethorphine en acethorphine.
Artikel 4 verplicht Partijen de wetgevende en administratieve maatregelen te nemen, die nodig zijn om met inachtneming van de bepalingen van dit Ver-drag de productie, de vervaardiging, de uit- en invoer, de afgifte van, de handel in, het gebruik en het bezit van verdovende middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.
Artikel 33 bepaalt: Partijen laten het bezit van verdovende middelen niet toe zonder wettige toestemming.
Artikel 36 verplicht Partijen maatregelen te nemen teneinde er voor te zorgen dat de verbouw, productie, vervaardiging, extractie, bereiding, het bezit, aanbod, aanbod ten verkoop, de distributie, aankoop, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, makelaardij, verzending, verzending in doorvoer, het vervoer en de in- en uitvoer van verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede elke andere handeling die naar de mening van die Partij in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag, als strafbare feiten worden beschouwd indien zij opzettelijk worden begaan en dat het begaan van ernstige strafbare feiten op passende wijze wordt gestraft, in het bijzonder door gevangenisstraf of andere vrijheidsstraffen.
In dit verband kan worden aangetekend dat het aan de staten wordt overgelaten welke strafbare feiten zij als ernstig wensen te qualificeren en dus ook welke strafbare feiten zij met vrijheidsstraffen willen bedreigen.
Het woord gebruik komt in artikel 36 niet voor. In sommige staten is gebruik dan ook niet strafbaar gesteld. Daar echter gebruik zonder enige vorm van bezit niet mogelijk is, en bezit in deze staten wel strafbaar is gesteld, heeft dit geen juridische gevolgen ten aanzien van de gebruiker. Trouwens ook hier te lande waar het aanwenden (gebruiken) verboden is, wordt toch meestal het bezitten, althans aanwezig hebben ten laste gelegd.
Het is zeer de vraag of het En kelvoudig Verd rag een interpretatie van het woord bezit toestaat in de zin van bezit niet bestemd voor eigen gebruik. Een dergelijke interpretatie valt moeilijk te rijmen met artikel 4 van het Verdrag (beperking tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden).
Artikel 37 bepaalt dat inbeslagneming en verbeurdverklaring van verdovende middelen mogelijk moet zijn.
De in artikel 49 van het Verdrag gegeven mogelijkheid tot het maken van voorbehouden van tijdelijke aard, heeft de betekenis van een overgangsmaatregel en is opgenomen terwille van een zo mondiaal mogelijke werkingssfeer. De voorbehouden kunnen betrekking hebben op: het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden, opiumschuiven, het kauwen van cocabladeren, het gebruik van cannabis voor niet-geneeskundige doeleinden en de productie en vervaardiging van en de handel in voornoemde verdovende middelen voor de bovenvermelde doeleinden. Het voorbehoud kon ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding worden gemaakt voor die gebieden, waar de consumptie van een desbetreffend verdovend middel van oudsher gebruikelijk en op 1 januari 1961 geoorloofd was. Op het ogenblik gelden nog voorbehouden van tijdelijke aard voor: Argentinië, India, Pakistan en Birma.
De internationale organen die werkzaamheden verrichten die voortvloeien uit het verdrag zijn:
1. De Commissie voor Verdovende Middelen (Commission on Narcotic Drugs), ressorterend onder de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
2. De Wereldgezondheidsorganisatie, die in medisch-wetenschappelijke aangelegenheden de onder 1 genoemde Commissie adviseert. Vooral het Expert Committee on Dependence Producing Drugs, een suborgaan van de W.H.O. houdt zich hiermee bezig.
3. Het Comit van Toezicht op de Verdovende Middelen (I(nternational) N(arcotics) C(ontrol) B(oard), I.N.C.B.).
4. De Afdeling Verdovende Middelen, waarin ondergebracht het speciale secretariaat en het laboratorium der Verenigde Naties.
Ten behoeve van een effectieve controle door het Comité van toezicht zijn partijen verplicht aan het comité:
a. jaarlijks ramingen met betrekking tot de hoeveelheden verdovende middelen, die de partij in het komende kalenderjaar voor diverse doeleinden denkt nodig te hebben en die bevestiging door het Comité behoeven, te verschaffen;
b. driemaandelijks cijfers met betrekking tot in- en uitvoer van elk verhandeld verdovend middel alsmede herkomst en bestemming daarvan op te geven;
c. jaarlijks totale gegevens met betrekking tot productie, verbruik, verwerking, in- en uitvoer alsmede aanwezige voorraden van elk verdovend middel te leveren.
De aangesloten partijen voorzien het Comité aldus van een doorlopende totale boekhouding met betrekking tot de beweging der verdovende middelen.
5.1.2. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat in 1971 in Wenen een Conventie inzake Psychotrope Stoffen tot stand kwam. De Conventie heeft tot doel een internationaal controlesysteem te scheppen voor het maatschappelijk verkeer van psychotrope stoffen, waarvan de eigenschappen aanleiding kunnen geven tot misbruik. Uit artikel 2, vierde lid, kan worden afgeleid dat onder psychotrope stoffen wordt verstaan, stoffen die het vermogen hebben op het centrale zenuwstelsel stimulerend of dempend te werken dan wel hallucinaties, stoornissen in het waarnemen , het denken , de stemming of het gedrag te veroorzaken. Talrijke stoffen die als verdovende middelen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag 1961 worden aangemerkt, kunnen eveneens de hierboven omschreven effecten teweegbrengen. De Conventie heeft dan ook een aanvullend karakter. De stoffen waarop de Conventie betrekking heeft, zijn over vier lijsten verdeeld. Lijst I bevat stoffen met zeer beperkte of geen therapeutische betekenis die een groot risico voor misbruik opleveren, zoals L.S.D., mescaline, STP, DOM, Psylocibine en tetrahydrocannabinolen. Op lijst 11 komen de amfetaminen voor. Het voor deze stoffen gedachte controlesysteem komt in grote trekken overeen met de voor morfine en analoga bestaande regelingen krachtens het Enkelvoudig Verdrag; met betrekking tot bezit is het desbetreffende artikel 5, derde lid, iets minder stringent geformuleerd dan artikel 33 van het Enkelvoudig Verdrag, artikel 5, derde lid, luidt: It is desirable that the Parties do not permit possession of substances in Schedules II, lil and IV except under legal authority. Op lijst III komen barbituraten voor, op lijst IV tranquillizers.
Ten aanzien van misbruikers van psychotrope stoffen kunnen in plaats van strafmaatregelen, ook maatregelen van hulpverlening worden genomen. Het begrip misbruik wordt in de conventie niet gedefinieerd. Uit de context blijkt dat hieronder wordt verstaan gebruik anders dan met een geneeskundig of wetenschappelijk doel. De Conventie werd ondertekend door 27 landen. De termijn van ondertekening werd 1 januari 1972 gesloten. Na die datum is toetreding mogelijk. Nederland heeft niet ondertekend.
5.2.1. De Opiumwet van 1928 kwam hierboven reeds enige malen ter sprake. De Opiumwet begint met een totaal verbod van elke denkbare handeling met, of het aanwezig hebben van enig door de wet bedoeld verdovend middel (artikelen 2 en 3). Vervolgens wordt een vergunningenstelsel ingevoerd. De verlofhoudende fabrikant evenals de verlofhoudende groothandelaar, de verlofhoudende im- en exporteurs nemen aan het verkeer van verdovende middelen deel met voorgeschreven begeleidende documenten, die hun door de hoofdinspectie voor de geneesmiddelen worden verstrekt en tot hoeveelheden, die hun kunnen worden toegestaan in samenhang met de door het bovengenoemde internationale Comité van Toezicht van de Verenigde Naties bevestigde ramingen. Zij houden bovendien in voorgeschreven registers aantekening van dat verkeer. De laatste schakel in het legale gebruik van verdovende middelen vormt de apotheker of de apotheekhoudende arts, die uit hoofde van hun beroep zijn vrijgesteld van het verbod. Zij leveren slechts op medisch voorschrift verdovende middelen aan de patiënt. De wetenschappelijke verlofhouder betrekt de middelen van een verlofhouder-groothandelaar.
Art. 2, eerste lid, onder g. machtigt de minister bij beschikking verdovende middelen aan te wijzen. In deel 1, Inleiding onder 2. werden de beschikkingen die krachtens deze bepaling nieuwe stoffen onder de werking van de Opium-wet brachten, genoemd.
Artikel 10 bevat de strafsancties. Opzettelijke overtreding van de verboden of opzettelijk niet voldoen aan de voorwaarden of voorschriften verbonden aan een verlof, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, de niet opzettelijke overtreding rnet hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drieduizend gulden. Daar het strafmaximum op vier jaren gevangenisstraf is gesteld, kan ingevolge artikel 64 Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis worden toegepast. Het derde lid van ar-tikel 10 bepaalt: De middelen worden verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard.
5.2.2. De Wet op de geneesmiddelenvoorziening van 28 juli 1958, Stb. 408 strekt ertoe het bereiden en afleveren van geneesmiddelen voor te behouden aan gevestigde apothekers, apotheekhoudende artsen, en apothekersassistenten of aan houders van een vergunning. Vergunningen worden o.a. gegeven aan farmaceutische groothandelaren en farmaceutische industrieën.
Personen, die bovengenoemde kwaliteit of bevoegdheid niet bezitten, is het bereiden en afleveren van geneesmiddelen verboden. Overtreding van dit verbod kan met ten hoogste zes maanden hechtenis of geldboete van ten hoogste vijf duizend gulden worden gestraft.
Een definitie van geneesmiddel wordt niet gegeven. In de memorie van toelichting wordt in dit verband gezegd: In de praktijk echter is iedere definitie onvoldoende gebleken. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat eenzelfde stof nu eens als geneesmiddel, dan weer als chemicalie gebruikt wordt, met andere woorden eerst de bestemming maakt een stof tot geneesmiddel. Amfetaminen en andere middelen met een soortgelijke werking behoren tot de geneesmiddelen, waarvan de wet de aflevering op bijzonder strikte wijze regelt. Zij nemen sedert de inwerkingtreding op 1 januari 1972 van de Wet van 7 april 1971, Stb. 361, een uitzonderingspositie in, voor zover niet alleen het in strijd met de wet bereiden en afleveren, maar ook het aanwezig hebben zonder daarvoor een recept te hebben verkregen, strafbaar is.
5.2.3. De Wegenverkeerswet. Met betrekking tot het gebruik van drugs zijn in de Wegenverkeerswet van belang de artikelen 26, 35, eerste lid, en 36.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het den bestuurder van een motorrijtuig, een rijwiel of een ander rij- of voertuig verboden daarmede over een weg te rijden, terwijl hij verkeert onder zoodanigen invioed van het gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig, het rijwiel of het andere rij- of voertuig naar behoren te besturen. Het derde lid luidt: Voor de toepassing van dit artikel wordt met alcoholhoudende drank gelijkgesteld elke stof waarvan de bestuurder weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kan verminderen. Dit derde lid werd ingevoegd bij de wijzigingswet van 29 oktober 1958, Stb. 505.
Artikel 35, eerste lid, bepaalt dat handelen in strijd met artikel 26 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden.
Artikel 36, eerste lid, houdt in dat degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van een verkeersongeval, de dood van een ander te wijten is, indien de dood door dat verkeersongeval is veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. In het tweede lid is, in geval van zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, het straf-maximum gesteld op gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden. Het derde lid bepaalt: Indien de schuldige tijdens het ongeval onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank of van een stof, als bedoeld in artikel 26, derde lid, verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen, wordt hij gestraft, in het geval, bedoeld in het eerste lid met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren en in het geval, bedoeld in het tweede lid met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.
5.3.1. Gadourek en Jessen (1) berekenden dat 0,7 % van de gebruikers met de politie in aanraking komt. In een beschrijvend statistisch onderzoek komen Tulkens en Gerner (2) tot de conclusie dat de politie weliswaar niet rigoureus optreedt tegen druggebruik (in de vorm van permanente controle en surveillance), maar ook niet een selectief beleid voert in die zin, dat slechts de zwaardere gevallen worden geregistreert.
Hoe de processen-verbaal over de verschillende drugdelicten zijn verdeeld, blijkt uit de hierna volgende gegevens die in voornoemd rapport worden ver-meld. Aan de hand van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde Maandstatistiek van Politie en Justitie, afleveringen juli 1969, juni 1970 en augustus 1971 (hierna te noemen C.B.S.-gegevens) zijn percentages berekend die betrekking hebben op: a de aard van de handeling. b de aard van het middel. Blijkens deze berekeningen vormen de strafbare feiten invoeren en verhandelen in de periode 1965-1970 resp. 12%,14%,19%,12% en 14% van het totale aantal strafbare handelingen met drugs dat ter kennis van Justitie kwam. (Naast invoeren en verhandelen, worden onderscheiden: gebruiken van vals recept, aanwenden, onbevoegd voorhanden hebben).
De onderverdeling naar de aard van het middel laat m.b.t. overtreding van artikel 2 van de Opiumwet (opium, morfine, palfium, L.S.D. e.d.) percentages zien van 42, 24, 20, 20, 16 en 15. Overtreding van artikel 3 van de Opiumwet (hennep) vond plaats in 58%, 76%, 80%, 80%, 84% en 85% der gevallen.
De (niet-specifieke) recidive onder de geverbaliseerden is aanzienlijk en is onder de handelaren groter dan onder de gebruikers, aldus het rapport. Dit zou overigens, naar de mening van de werkgroep, wel op selectief optreden in bepaald opzicht kunnen wijzen.
Tulkens meent dat het ontbreken van een publieke graadmeter a-selectief politie-optreden bevordert. Immers de registratie van drugdelicten wordt in afwijking van de meeste andere misdrijven, niet bepaald door de aangifte, maar door de activiteit van de politie. Het puliek functioneert hier niet als zeef. Ook Heijder (3) acht het ontbreken van een slachtoffer dat aangifte doet een fundamenteel gegeven in de opsporing van verdovende middelen.
5.3.2. De Recherche Advies Commissie, ingesteld bij beschikking van de minister van justitie en de minister van binnenlandse zaken van 31 juli 1969, heeft een Werkgroep Bestrijding Sluikhandel Verdovende Middelen in het le-ven geroepen. Voorzitter is de heer G. J. Torenaar, hoofdinspecteur van gemeentepolitie te Amsterdam. De taakomschrijving van deze werkgroep luidt als volgt:
Het verschaffen van een inzicht in de problemen rond de handhaving van de Opiumwet en een beantwoording van de vragen, die daarbij rijzen. Bij de huidige omvang van het drugprobleem schiet de opzet van de bestrijding, zoals thans vervat in hoofdstuk L (het hoofdstuk betreffende de sluikhandel in verdovende middelen) van de Richtlijnen (de richtlijnen ter bevordering van een doelmatige opsporing), duidelijk te kort. De werkgroep zal het probleem van de opsporing in wijder verband moeten bezien. Zij zal zich echter niet moeten begeven op het terrein van het vervolgingsbeleid en van de bejegening van delinquenten. Een aantal vragen eist in ieder geval beantwoording:
a. Welke politiekorpsen/districten moeten drugspecialisten hebben en hoeveel? (Hierbij ware ook te denken aan de Koninklij ke Marechaussee en de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen).
b. Hoe zou de organisatie van de samenwerking tussen deze specialisten moeten zijn (eventueel in regionaal verband)?
c. Hoe zou de organisatie van de samenwerking met het centrale punt (de Onderafdeling Opsporings Bijstand) moeten zijn?
d. In hoeverre dienen de thans bestaande richtlijnen m.b.t. de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen te worden herzien?
e. Welke informatie moet worden ingewonnen, op welke wijze en waar moet deze worden opgeslagen?
f. Hoe en waar moeten drugspecialisten worden opgeleid?
Bij de parlementaire behandeling van het drugvraagstuk is meer dan eens vermeld dat het openbaar ministerie in dezen naar een genuanceerd beleid streeft. Bekend is dat in de bestaande beleidsafspraken (richtlijnen) onderscheid wordt gemaakt tussen gebruiker enerzijds en de professionele handelaren anderzijds, terwijl de gebruikers/handelaren als een afzonderlijke groep worden beschouwd.
In het jaarverslag van het openbaar ministerie 1970 - als bijlage gevoegd bij de memorie van toelichting op de justitiebegroting 1972 - wordt medegedeeld dat het openbaar ministerie in het afgelopen jaar sterke nadruk legde op de handel in drugs. Waar het gebruik van drugs betrof, en vooral verslaving aan druggebruik, konden - aldus het verslag - mogelijkheden van goede opvang aanleiding zijn om strafrechtelijk optreden achterwege te laten dan wel deze opvang zo effectief mogelijk in het strafrechtelijk optreden te integreren. In hetzelfde verslag is sprake van het besef dat ten aanzien van de bejegening van gebruikers het accent meer dient te liggen op de voorlichting en opvang door organen van volksgezondheid en maatschappelijk werk.
In het rapport van Tulkens en Gerner wordt gewezen op een toeneming van de sepots sinds 1969. In dat jaar overtreft het aantal sepots voor het eerst het aantal veroordelingen. De in het rapport opgenomen gegevens van het C.B.S. volgen hierna:
| 1965 | 1966 | 1967 | 1968 | 1969 | 1970 | |
| veroordelingen | 38 | 48 | 153 | 258 | 247 | 469 |
| sepots | 18 | 26 | 59 | 99 | 297 | 609 |
| 56 | 74 | 212 | 357 | 544 | 1178 |
Tulkens en Gerner bewerkten de C.B.S. gegevens betreffende veroordelingen wegens overtreding van de Opiumwet in de jaren 1965-1970 m.b.t. geheel Nederland. Dit leverde de volgende cijferes op.
A. Strafsoort
| vrijheidsstraf* | 1965 | 1966 | 1967 | 1968 | 1969 | 1970 |
| onvoorwaardelijk | 12 | 20 | 50 | 65 | 61 | 104 |
| deels voorwaardelijk | 14 | 14 | 68 | 107 | 50 | 96 |
| geheel voorwaardelijk | 4 | 5 | 14 | 31 | 20 | 45 |
| voorw. vrijh. straf met onvw. geldboete | 5 | 7 | 16 | 49 | 68 | 90 |
| onvw. geldboete | 3 | 2 | 5 | 8 | 46 | 126 |
| berisping | - | - | - | - | 1 | 4 |
| Totaal | 38 | 48 | 163 | 260 | 246 | 465 |
*Onder vrijheidsstraf is begrepen: gevangenisstraf, hechtenis, tuchtschoolstraf, straf van arrest. De laatste drie straffen zijn in 1965-1969 in totaal (voorw. en onvoorw.) resp. 15x en 5x toegepast.
In 1969 werd 1 verbeurdverklaring uitgesproken, waardoor het aantal veroordelingen op 247 kwam. In 1970 werden ook nog 2 ondertoezichtstellingen, 1 jeugd-t.b.r. en 1 schuldigverklaring zonder straf of maatregel uitgesproken, zodat het totale aantal veroordelingen in dat jaar 469 was.
B. Recapitulatie strafsoorten in % van het jaartotaal
| 1965 | 1966 | 1967 | 1968 | 1969 | 1970 | |
| vrijh. straf geheel of ged. onvoorwaard. | 68 | 71 | 84 | 66 | 45 | 43 |
| vrijh. straf geheel of ged. voorwaard. (al of niet in combinatie met geldboete | 60 | 54 | 64 | 72 | 56 | 49 |
| comb. voorw. en onvoorw. vrijh. straf | 37 | 29 | 44 | 41 | 20 | 20 |
| geldboete (al of niet in comb. met voorw. vrijh. straf) | 21 | 19 | 14 | 22 | 46 | 46 |
| comb. voorw. vrijh. straf met geldboete | 13 | 15 | 10 | 19 | 28 | 19 |
In 1969 valt een sterke wijziging in het straftoemetingsbeleid te constateren. De onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen worden evenals de voorwaardelijke vrijheidsstraffen en de combinatie van beide, aanmerkelijk minder toegepast. De daling in de vrijheidsstraffen gaat ten gunste van de boete. Deze tendentie zette zich in 1970 voort.
In de veroordelingen tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en onvoorwaardelijke geldboete worden nog onderverdelingen gemaakt. Het percentage vrijheidsstraffen boven de zes maanden is in de periode 1967-1970 gedaald. Deze percentages waren respectievelijk 41, 40,27 en 26.
Wat de opgelegde boetes aangaat, deze bedroegen in het Jaar 1970 in 79% der gevallen Fl 100,- of minder.
(1) I. Gadourek en J. L. Jessen, zie deel I hoofdstuk 4 (4).
(2) J. J. J. Tulkens en M. S. A. Gerner, Overtreding van de Opiumwet, een beschrijvend statistisch onderzoek, uitgegeven door het Wetenschappelijk Voorlichtings- en Documentatiecentrum van het ministerie van justitie, rapport mei 1971, herzien en aangevuld in februari 1972, nog niet gepubliceerd.
(3) A. Heijder, De strafrechtelijke repressie, In: W. K. van Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand. Bussum 1970, p.64.