Hoofdstuk 6. Cannabis (hennep)
6.1. Begripsomschrijving en herkomst van marihuana en hashish
Tot de cannabisprodukten behoren: marihuana en hashish.
Onder marihuana wordt verstaan de min of meer fijngemaakte bloeitoppen van de hennepplant, vermengd met bladeren en soms ook met steeltjes en zaden .
Onder hashish wordt verstaan elke bereiding waaraan de hennephars ten grondslag ligt.
De hennepplant (cannabis Sativa L.) is meestal tweehuizig, (afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten) hoewel ook eenhuizige planten voorkomen (mannelijke en vrouwelijke bloemen aan dezelfde plant).
De hars, die de physiologisch actieve bestanddelen bevat, komt in de gehele plant voor, maar het gehalte is het hoogst in de bloeiende of vruchtdragende toppen van de vrouwelijke planten. Aan deze toppen wordt een hars afgescheiden, waarin de actieve bestanddelen zijn geconcentreerd. Dit is de reden waarom van oudsher juist deze toppen als grondstof, zowel voor de bereiding van medicinale preparaten (extract en tinctuur van hennep) als voor marihuana en hashish worden gebruikt.
Vroeger werd aangenomen dat er een aantal variëteiten van de hennepplant bestond, waarbij de variëteit Indica voor extract, tinctuur, marihuana en hashish werd gebruikt. Volgens nieuwe opvattingen zijn er geen variëteiten maar wel verschillende rassen waarbij de hoeveelheid en aard van de chemische bestanddelen kunnen variëren; men spreekt dan ook wel van chemo-vars. Indien men in Nederland hennep kweekt uit geïmporteerde zaden (b.v. uit Turkije), zullen de planten hier wat chemische samenstelling betreft een overeenkomst vertonen met de planten in het land van herkomst.
Naast genetische factoren (het ras) spelen ook factoren als klimaat, belichting en aard van de grond een rol bij de harsproductie (kwantitatief).
6.2. Bestanddelen van hennephars
De hennephars is een uiterst complexe substantie, waaruit tot nu toe meer dan 50 verschillende verbindingen zijn geïsoleerd.
Van groot belang zijn de z.g. cannabinoiden , een groep van stoffen waartoe het tetrahydrocannabinol (T.H.C.) behoort. Ook T.H.C. is niet een enkelvoudige stof. Van deze stof komen een aantal isomeren en homologen in de hennephars voor.
Onder isomeren van een stof worden verbindingen verstaan die dezelfde formule hebben, maar verschillende ruimtelijke structuren bezitten. Deze verbindingen zijn veelal chemisch identiek, d.w.z. zij vertonen dezelfde chemische reacties, maar zij verschillen in fysiologische werking.
De isomeren van T.H.C. worden onderscheiden naar de plaats waar de dubbele band zich in de gehydreerde koolstofring bevindt. De meest actieve isomeer is de delta-1-isomeer. Er bestaat nog geen internationaal algemeen aanvaarde structuurbeschrijving voor de cannabinoiden. In Amerika past men b.v. een andere nummering toe en spreekt men van de delta-9-isomeer. Naast isomeren komen ook homologen van T.H.C. in cannabishars voor. Homologen van T.H.C. verschillen onderling slechts in de lengte van de alifatische zijketen. T.H.C. bezit een (alifatische) zijketen met 5 koolstofatomen (pentylgroep CsH11). Recentelijk (1970) is ontdekt dat in hashish ook T.H.C. voorkomt met een propylgroep (C3H7) als zijketen, terwijl enkele maanden geleden T.H.C. met een methylgroep (CH3) in plaats van de zijketen is gevonden.
De cannabinoiden worden voorts onderscheiden in fenolen en zuren. Zo komt in hashish ook T.H.C.-zuur voor. Het gehalte aan T.H.C.-zuur kan zelfs veel groter zijn dan het T.H.C.-gehalte. Dit zuur is van belang omdat het bij verhitten (b.v. roken) maar ook zelfs bij het bewaren van een hashishmonster overgaat in T.H.C. Indien hashish gegeten of gespoten wordt (proefdieren), is het zuur echter vrijwel onwerkzaam.
Aangezien in sommige hashishmonsters het gehalte aan T.H.C.-zuur het tienvoudige bedraagt van het T.H.C.-gehalte, ligt het voor de hand dat bij farmacologische proeven met hashish of hashishextracten, waaraan niet een uitgebreide chemische analyse van de monsters vooraf is gegaan , tegenstrijdige gegevens worden gevonden. Tot op de huidige dag worden echter nog steeds resultaten van proefnemingen gepubliceerd, zonder dat van de hashish of marihuana het T.H.C.-gehalte en het T.H.C.-zuurgehalte exact is vastgesteld .
Uit het voorgaande is wel gebleken dat de hars van de hennep een uiterst ingewikkeld complex van stoffen bevat.
6.3. Farmacologische werkzaamheid van cannabis
Zoals reeds is vermeld, worden de tetrahydrocannabinolen (isomeren en homologen) als de fysiologisch meest actieve bestanddelen van de hennephars beschouwd .
Daarnaast zijn echter ongetwijfeld nog andere werkzame stoffen aanwezig. De werkzaamheid van de geïsoleerde stoffen is nog onvoldoende onderzocht, terwijl hun interactie nog een vrijwel braakliggend terrein is.
T.H.C. wordt in het lichaam vrij snel omgezet in meer actieve stoffen. Geïsoleerd zijn dit: het 7-hydroxy-T.H.C. en het 7-5-hydroxy-T.H.C. De eerst vermelde metaboliet is drie keer zo actief als T.H.C. Er zijn aanwijzingen dat niet T.H.C. zelf, maar de eerstgenoemde metaboliet de voor de werking verantwoordelijke stof is. De uitscheiding van T.H.C. en de metabolieten geschiedt langzaam. Na enkele dagen zijn deze stoffen nog aantoonbaar in de weefsels. Dit is een mogelijke verklaring voor het verschijnsel dat regelmatige rokers na enige tijd met een lagere dosis kunnen volstaan hetgeen met reversed tolerance wordt aangeduid.
Ook zou tolerantie voor T.H.C. zijn geconstateerd; merkwaardig is dat deze tolerantie niet kon worden opgewekt door het toedienen van zuivere T.H.C., maar eerst na het toedienen van een hashishpreparaat optrad.
Bij roken en intraveneuse injectie treden de subjectieve effecten snel op, variërend van een tot tien minuten, terwijl het maximale effect bij niet te hoge doseringen na drie tot vier uren is verdwenen
6.4. Effecten op korte termijn
6.4.1. Fysiologische effecten van het gebruik van cannabis
Tot de fysiologische effecten van het gebruik van cannabis behoren: versnelling van de polsslag, zwelling van de kleine bloedvaten rond het oog (rood worden van het oog), droge ogen en droge slijmvliezen (mond), irritatie van de slijmvliezen, vermindering van de spierkracht, diuretisch effect en in zeldzame gevallen: diarrhee en braken. In het electro-encephalogram werden zeer kleine veranderingen waargenomen, met name in het alpharitme.
Grootte van de pupillen, bloeddruk, ademhaling, lichaamstemperatuur en kniepeesreflex ondergaan geen veranderingen, de bloedsuikerspiegel verandert weinig (1 ).
6.4.2. Invloed van het gebruik van cannabis op de motoriek.
Eenvoudige taken worden correct verricht, het uitvoeren van complexe opdrachten wordt blijkens een aantal onderzoeken negatief beïnvloed. De vermindering in prestatie is groter bij personen die voordien zelden of nooit cannabis hadden gebruikt dan bij regelmatige gebruikers (1).
In het overzicht van laboratoriumstudies betreffende cannabis, uitgegeven door de Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek (2) worden onderzoeken van Weil en Zinberg (1969, 1970) en Meijer e.a. (1971) vermeld. Deze onderzoekers constateerden dat regelmatige gebruikers diverse opdrachten even goed of zelfs beter verrichtten na het roken van marihuana dan zonder dit middel. Bij de personen die voorheen zelden of nooit marihuana hadden gebruikt was dit niet altijd het geval.
Ook over de invloed van cannabisgebruik op de rijvaardigheid zijn in de literatuur tegenstrijdige gegevens te vinden. In het veel aangehaalde onderzoek van Crancer (3) met een carsimulator maakten 36 regelmatige marihuanarokers na het roken van twee marihuanasigaretten wel meer snelheidsfouten dan onder normale condities, maar met betrekking tot sturen, remmen, optrekken en het aangeven van de richting werden na het roken niet meer vergissingen begaan dan in nuchtere toestand. Bij een recent onderzoek van Bech e.a. (4) uitgevoerd met een carsimulator aan de Universiteit van Kopenhagen, werd vastgesteld dat na het roken van 400 mg hashish (i 16 mg T.H.C., i drie marihuanasigaretten) de reactietijd was toegenomen met 50%, terwijl de remweg met 60% was verlengd. Na het gebruik van 200 en 300 mg cannabis werd geen verandering in reactietijd waargenomen en een verlenging van de remweg met resp. 5% en 16% geconstateerd.
6.4.3. Psychische effecten op korte termijn van het gebruik van cannabis
Het onderzoek van de psychische effecten van cannabis is bijzonder moeilijk. Methodologisch verantwoord onderzoek dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Exacte bepaling van het gehalte aan T.H.C. en T.H.C.-zuur in de hennep.
b. Het werken met drie onderzoekgroepen: een controlegroep krijgt een placebo (niet werkzaam middel),de beide andere groepen van resp. gebruikers er; niet-gebruikers krijgen hennep toegediend.
c. Wanneer de hennep wordt gerookt, dient de rooktechniek gestandariseerd te worden. Van orale toediening mag men andere effecten verwachten.
d. De onderzoekers mogen niet weten wie een placebo en wie hennep krijgt.
De proefpersonen mogen - in het ideale geval - niet weten dat het om hennep gaat.
Vervolgens rijst het probleem van de keuze der onderzoekinstrumenten. Introspectie achteraf oefent geen invloed uit op de psychische effecten, maar is als instrument vrij zwak. De uitkomsten van tests zijn exacter, maar oefenen weer invloed uit op de psychische effecten.
Tot de psychische effecten op korte termijn moet in de eerste plaats worden gerekend een verandering in het tijdsbesef. De uitkomsten van proeven die betrekking hebben op de tijdwaarneming vertonen de grootste overeenkomst. In vrijwel alle experimenten werd vastgesteld dat men onder invloed van marihuana de tijd langer vond duren en deze dan ook langer schatte dan de kloktijd (1)(2). In het overzicht van laboratoriumstudies van de Stichting Alcohol- en Drugsonderzoek worden in dit verband de theorieën van o.a. Melges e.a. (1970, 1971 ) kort weergegeven: Zij deden hun proeven met 18 academisch gevormde mannen tussen de 21 en 36 jaar oud die voorheen nooit marihuana hadden gebruikt. Door middel van hun onderzoeken trachtten zij een verband te leggen tussen de gestoorde tijdsbeleving, een veranderde zelfbeleving en doelmatig handelen.
In dit experiment kwamen objectief gezien de stoornissen in de tijdsbeleving hierin tot uitdrukking dat de proefpersonen moeite hadden om herinneringen, waarnemingen en verwachtingen , relevant voor het bereiken van een bepaalde taak of doelstelling, vast te houden, te coördineren en in een logische volgorde te plaatsen. Het vermogen doelbewust te handelen nam af.
Subjectief werden de stoornissen ervaren als een verwarring van verleden, heden en toekomst, met de neiging vooral stil te blijven staan bij het heden. Het gaat hier om samenhangende processen, aldus Melges c.s. Als onder invloed van marihuana een persoon minder in staat raakt verleden, heden en toekomst te integreren, richt zijn bewustzijn zich meer op de dingen van het nu, die op hun beurt worden ervaren als langer durend dan in werkelijkheid het geval is of ook wel als tijdloos naarmate zij hun verbindende functie tussen verleden en toekomst dreigen te verliezen. Met het intenser worden van de stoornissen in de tijdsbeleving, nemen ook de gevoelens van depersonalisatie toe. Hoewel er bij de proefpersonen verschillen bestonden in emotionele reacties, ging over het algemeen de concentratie op het heden en de vervreemding van zichzelf gepaard met euforie, met gevoelens dus van welbevinden. Slechts een enkele maal trad paniek op.
Algemeen wordt aangenomen dat in lage doseringen cannabis euforiserend en sederend werkt. Bij hoge doseringen kunnen angst, verwarring, rusteloosheid, achtervolgingswaaan, halucinaties en depersonalisatietoestanden optreden (1). Van Praag vermeldt echter dat Tinklenberg e.a. geen dosis-afhankelijkheid vonden voor het marihuana-effect. (Psychosen zullen nog in een afzonderlijk onderdeel 6.6. worden behandeld).
Een effect op korte termijn dat door de meeste gebruikers wordt vermeld, is:
intensivering van zintuiglijke waarnemingen. Kleuren en muziek, soms ook smaken en geuren worden sterker beleefd. Deze subjectieve ervaringen werden niet door experimenten geobjectiveerd. Drempelwaarden voor zintuiglijke prikkels, zoals trilling, kleur en aanraking werden gemeten en bleken geen veranderingen door het gebruik te hebben ondergaan (1).
Goode (5) verzocht tweehonderd vrij zware hennepgebruikers de werkingen van hennep die zij hadden ervaren, uit hun herinnering op te schrijven. Op deze wijze kwam een lijst van 41 soorten ervaringen tot stand. De belangrijkste waren:
| Aantal gebruikers | % van de steekproef | |
| Meer ontspannen, vredig, kalmer, marihuana werkt als tranquillizer | 88 | 40 |
| Grotere zintuigelijke gevoeligheid | 69 | 36 |
| Denk dieper, heb diepere gedachten | 60 | 31 |
| Lach meer, alles lijkt grappig | 55 | 29 |
| Meer intense stemming, gevoel dat dingen iets betekenen | 48 | 25 |
| Verandering in tijdwaarneming, tijd verloopt langzamer, wordt 'elastisch' etc | 44 | 23 |
Als een effect op lange termijn zou wijziging in het karakter tengevolge van het gebruik van cannabis moeten worden beschouwd. Volgens sommige auteurs leidt het regelmatig gebruik van cannabis tot indolentie of in elk geval tot een verlaging van het strevingsniveau. Men spreekt ook wel van het amotivatie-syndroom.
De Indian Hemp Drugs Commission en het New York Mayors Committee on Marihuana kwamen tot de conclusie dat langdurig matig gebruik van cannabis geen schadelijke effecten heeft. De Wootton-commissie sloot zich hierbij aan (6) (7) (8).
In het rapport van de W.H.O.-deskundigen (1) staat een niet gepubliceerd onderzoek van Soueif vermeld dat werd verricht onder 1689 gevangenen in Egypte. 850 Personen waren hashish-gebruikers geweest, terwijl 839 niet-gebruikers de controlegroep vormden. Om personen van ongeveer hetzelfde opleidingsniveau met elkaar te kunnen vergelijken, werden de groepen onderverdeeld in subgroepen. Op tests voor snelheid en nauwkeurigheid bij het verrichten van psychomotorische handelingen, tests voor reactiesnelheid en geheugentests scoorden de gebruikers lager dan de personen van de controlegroep. De WHO-deskundigen voegen daar zelf aan toe dat uit het samengaan van het gebruik van cannabis met slechtere prestaties, niet zonder meer een causaal verband kan worden afgeleid. De verschillen zouden reeds voor het gebruik hebben kunnen bestaan, maar zouden bijvoorbeeld ook verband kunnen houden met verschillen in levensstijl tengevolge van het deelnemen aan activiteiten die bij de wet zijn verboden en maatschappelijk worden afgekeurd.
Van Praag (9) wijst op de methodologische moeilijkheden die zich voordoen bij het onderzoek naar psychische effecten tengevolge van een langdurig gebruik van een drug. Veel, zo niet alles hangt af van de mogelijkheid een adequate controlegroep te formeren. Wanneer het gaat om onderzoek naar de eventuele effecten op lange termijn, is men genoodzaakt ook de factor levensomstandigheden in de proefopzet te verdisconteren. Met andere woorden: in het ideale geval zou iedere chronische druggebruiker vergeleken moeten worden met een abstinent individu met vrijwel gelijke levensloop. Dat dit ideaal nauwelijks valt te benaderen, behoeft geen betoog. Een tweede methodologische moeilijkheid bij het onderzoek naar een causaal verband tussen gebruik van een bepaalde stof en bepaalde persoonlijkheidsveranderingen is gelegen in het vereiste de betreffende gebruikers voor het gebruik van de stof, en na verloop van een langere periode waarin die stof regelmatig werd gebruikt, te onderzoeken. Het zou immers heel goed kunnen zijn dat personen met een bepaalde karakterstructuur, een bepaalde houding tegenover de bestaande maatschappij of vanuit een bepaalde, voor hun gevoel uitzichtloze, situatie zich meer aangetrokken voelen tot het gebruik van cannabis dan anders geaarde individuen. Van Praag besluit een op deze moeilijkheid betrekking hebbende passage met de zin: Aldus zou de gepostuleerde indolentie niet gevolg, maar veeleer drijfveer kunnen zijn geweest tot het gebruik van marihuana.
In verband met de beide hierboven geschetste moeilijkheden werken verwijzingen naar situaties in b.v. Noord-Afrika, waar genoemde factoren tot nu toe nog niet in de onderzoeken werden betrokken, niet verhelderend.
Daar komt nog bij dat dosis en frequentie bij het gebruik van cannabis in N. Afrika en India veel hoger liggen dan in de Westerse landen. Hierop wordt onder 6.8 nog teruggekomen.
Het eventuele verband tussen gebruik van cannabis en indolentie zou tenslotte ook nog verklaard kunnen worden met behulp van een interveniërende variabele. Als zodanig zou de subcultuur, waaraan veel gebruikers van cannabis deelnemen, kunnen fungeren. De invloed die kan uitgaan van de subcultuur werd besproken in hoofdstuk3.
Overigens is een verband tussen gebruik van cannabis en indolentie nog niet aangetoond (zie ook 3.7.4. waar wordt ingegaan op de relatie tussen druggebruik in het algemeen en de werkhouding). Van Praag (8) vermeldt twee onderzoeken naar een verband tussen het gebruik van marihuana en universitaire prestaties als volgt: Tenslotte nog een enkel gegeven over marihuanagebruik en (universitaire) prestaties. Pillard (1970) zocht bij medische studenten naar een verband tussen het gebruik van marihuana en studie-resultaten, waarbij ervan werd uitgegaan dat het met succes volgen van een universitaire studie, behalve intelligentie, precies die eigenschappen vereist, waarvan gezegd wordt dat zij door marihuana worden ondergraven. Pillard vond geen verband tussen roken van marihuana en plaats op de ranglijst in de jaargang.
Hieraan dient wel te worden toegevoegd, dat zijn groep overwegend lichte gebruikers bevatte, gebruikers die marihuana incidenteel, niet regelmatig rookten. Hindmarch (1970) kwam aan een universiteit in Engeland tot overeenkomstige conclusies. Tussen een groep cannabis-gebruikers en een con trole-groep bestonden geen verschillen wat betreft universitaire carriere en examenresultaten. Het marihuanaverbruik lag hier hoger dan in het eerstgenoemde onderzoek: 72% van de drug-groep gebruikte ten minste eenmaal per dag een cannabis-preparaat.
Van Praag concludeert dan dat de (spaarzame) gegevens uit Westerse landen die ons tot dusverre ter beschikking staan, geen aanwijzingen leveren dat cannabisproducten, gebruikt in de hier gangbare vorm en hoeveelheid het psychisch functioneren duurzaam schaden.
6.6. Psychosen en andere ongunstige reacties
Weil (10) meent op grond van zijn ervaringen met honderden marihuana-gebruikers dat echte psychotische reacties statistisch gezien zeldzaam zijn. Dergelijke reacties komen voor bij personen die reeds eerder tekenen van schizophrenie vertoonden (border line cases) en bij gebruikers die vroeger hallucinogenen, zoals L.S.D. of psilocybine gebruikten. Laatstgenoemden ervaren na gebruik van marihuana een terugkeer van hallucinatoire belevingen, flashbacks.
Tenslotte constateerde Weil toxische psychosen, die de vorm van een delirante toestand aannemen. Dez2 toestanden traden in een aantal gevallen op na het oraal gebruik van cannabis. Het syndroom is niet specifiek, maar kan bij overdosering van alle mogelijke farmaca optreden en verdwijnt na korte tijd vanzelf weer.
In 75% der door Weil onderzochte gevallen waarbij ongunstige reacties optraden, betrof het paniekreacties, geïnduceerd door de angst gek te zullen worden. Deze reacties treden frequenter op in een milieu waar men afwijzend staat tegenover druggebruik dan in een omgeving waarin dit verschijnsel sociaal geaccepteerd is. De complicatie duurt kort en is waarschijnlijk niet farmacologisch bepaald.
Depressieve reacties komen volgens Weil voor bij dwangmatig-scrupuleuse personen die twijfelen aan de juistheid van hun beslissing drugs te gebruiken. De duur varieert van enkele uren tot, in zeldzame gevallen, een paar dagen. Ook hier ligt de oorzaak waarschijnlijk niet in de farmacologische wer-king van de stof.
Volgens sommige auteurs kan regelmatig gebruik van cannabis de oorzaak zijn van sub-chronisch verlopende psychosen die aanhouden lang nadat de werkzame bestanddelen van cannabis uit het lichaam verdwenen zijn.
Cannabispsychosen zijn in hoofdzaak in Noord-Afrikaanse landen en in India beschreven (9). Daarbij dient echter het volgende te worden bedacht:
Tot de effecten van het gebruik van cannabis kan ook het overgaan op het gebruik van andere drugs worden gerekend. In dit verband wordt dikwijls een steppingstone-hypothese~geformuleerd. Dit kan op verschillende wijzen gebeuren. Uitgangspunt is de stelling dat het regelmatig gebruik van een cannabisproduct de kans op het gebruik van andere drugs (L.S.D., opium, amfetaminen) verg root. Over de juistheid van deze stelling verschillen de meningen.
In het WHO-deskundigenrapport (1) wordt aangenomen dat er in elk geval een positief verband bestaat tussen het gebruik van cannabisproducten en het experimenterend gebruik van andere drugs. Van Praag (9) citeert Pillard (1970) die goed gedocumenteerd tot de slotsom komt dat: no one has failed to find a statistical relation between marihuana and the use of other drugs - legal and illegal. Daarnaast vermeldt de schrijver dat Grinspoon (1969) enkele maanden eerder concludeerde dat: there is no evidence that marihuana is more likely than alcohol or tobacco to lead to the use of narcotics.
Cohen (11) constateert: Ongeveer 75% van de mensen die - klandestiene - drugs gaan gebruiken, gaan ook andere stoffen gebruiken. Veelal gebruiken ze deze middelen echter niet op een continue basis, maar houden ze na een tijdje weer met het gebruik op. Hierbij zij opgemerkt dat het onderzoek van Cohen was gericht op druggebruik, zoals dat in het gebruikers-milieu, de scene plaatsvindt.
Indien het uitgangspunt dat regelmatig gebruik van een cannabisproduct de kans op het gebruik van andere drugs vergroot, juist is, komt de vraag aan de orde hoe men het verband tussen het gebruik van cannabisproducten en andere drugs moet formuleren.
Er zijn verschillende mogelijkheden:
a. Een direct causaal verband. Van een causaal verband zou gesproken kunnen worden als de farmacologische eigenschappen van de werkzame bestanddelen van hennep bij de gebruiker de behoefte zouden doen ontstaan om op andere, eventueel sterker werkende middelen, over te gaan. De veronderstelling dat een dergelijk verband bestaat, werd onder 3.7.1 met de klassieke steppingstone-hypothese aangeduid.
b. Een onderliggende variabele. Het aannemen van een onderliggende variabele houdt in dat men het bestaan aanneemt van een of meer factoren die de gebruiker voorbestemmen zowel tot het gebruik van hennep als tot het gebruik van andere drugs, terwijl tussen het gebruik van de verschillende typen drugs geen verband bestaat.
c. Een interveniërende variabele. Toegepast op druggebruik stelt de hypothese waarbij het bestaan van een interveniërende variabele wordt aangenomen, dat het verband tussen hennep-gebruik en het gebruik van andere drugs niet direct is, maar verloopt via de deelneming of involvatie in de druggebruikende subsultuur.
ad. a. Ter ondersteuning van een direct causaal verband kon tot nu toe geen bewijsmateriaal worden aangevoerd.
ad. b. De in hoofdstuk 2 behandelde psychologische en sociaal-psychologische aspecten van het druggebruik rechtvaardigen het vermoeden dat onderliggende factoren wel een rol zullen spelen wanneer gebruik van cannabis gepaard gaat met gebruik van andere drugs.
ad. c. De hypothese van de interveniërende variabele vindt steun in de resultaten van onderzoeken van Johnson (12) Goode (5) en Cohen (13). In genoemde studies werd een verband gevonden tussen a. de zwaarte van hennepgebruik en de mate van subculturele involvatie en b. de mate van suboulturele involvatie en het gebruik van meerdere stoffen. Indicaties voor het diep geïnvolveerd zijn in de drugsubcultuur zijn: handelsactiviteiten met betrekking tot hennep, proselyteren en een hoog percentage vrienden dat hennep en andere drugs gebruikt. Wanneer men aanneemt dat de subcultuur de functie van interveniërende variabele vervult, betekent dit dat personen die meer hennep gaan gebruiken, b.v. dagelijks, dieper geïnvolveerd raken in de drugcultuur. Ze krijgen meer vrienden die hennep gebruiken, ze gaan anderen overhalen tot het gebruik van hennep en veelal volgt eveneens handel in hennep. Doordat hennepgebruik en handel in hennep illegale activiteiten zijn, krijgen zij ook contacten met mensen die zich op datzelfde illegale forum bewegen, maar andere middelen (amfetaminen, opium, heroine, L.S.D.) verkopen. Via deze contacten worden deze zwaardere drugs betrokken. Johnson vond ook dat mensen deze zwaardere drugs pas gingen gebruiken als zij vrienden kregen die deze drugs gebruikten. Het maken van die vrienden gebeurde niet zelden door de verkoop van hennep.
De waarden, welke men in de literatuur vindt, zijn vaak moeilijk te interpreteren. In vele gevallen wordt van 2 of 3 marihuana-sigaretten gesproken of 300 mg hashish zonder dat het T.H.C.-gehalte bekend was. Men rekent dan meestal met 5 mg T.H.C. per sigaret, terwijl het gemiddelde T.H.C.-gehalte van hashish op 5% wordt gesteld. Aangezien bij het roken slechts een deel wordt opgenomen, waarbij de wijze van roken van invloed is, mag geen exacte betekenis aan de waarden worden gehecht.
Men neemt echter aan dat de drempelwaarde van T.H.C. circa 1 mg bedraagt (duidelijk versnelde polsslag). 5-10 mg T.H.C. zou voldoende zijn om high te worden .
Volgens W. H. McGlothlin is het gemiddelde T.H.C.-gebruik van een matige roker in Amerika 10-20 mg T.H.C. per dag, in Egypte, Marokko en India 40-50 mg T.H.C. per dag. Zware gebruikers in Amerika zouden circa 40-50 mg T.H.C. per dag opnemen, terwijl deze waarden voor Egypte en Marokko i 200 zouden zijn. In India vindt men, aldus deze auteur, rokers die tot 700 mg T.H.C. per dag komen.
6.9. Het T. H.C.-gehalte van in Nederland in beslag genomen hashish monsters
In het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie werd een onderzoek ingesteld naar het T.H.C.-gehalte van hashish-monsters, welke in de eerste helft van het jaar 1971 voor onderzoek werden ontvangen. Hiertoe werden 225 monsters (willekeurig gekozen) geanalyseerd. De aanleiding tot dit onderzoek was het feit dat van de zijde van justitie en politie herhaaldelijk een verzoek kwam om bepaalde monsters op de aanwezigheid van vreemde stoffen (met name S.T.P. en mescaline) te onderzoeken, aangezien de gebruikers afwijkende ervaringen zouden hebben gehad. In die gevallen werd echter nooit een vreemd bestanddeel gevonden. Wel werd geconstateerd dat de bewuste monsters een hoog T.H.C.-gehalte bezaten. Bij de analyse van de 225 hashishmonsters werden de volgende waarden gevonden:
| % T.H.C. in het monster | % van de monsters waarin dit gehalte gevonden werd |
| 0 - 2 % | 16 % |
| 2 - 5 % | 41 % |
| 5 - 7 % | 14 % |
| 7 -10 % | 14 % |
| Meer dan 10 % T.H.C. | 15 % |
In twee gevallen werden waarden van 19% T.H.C. gevonden.
Uit het onderzoek blijkt welke enorme spreiding het T.H.C.-gehalte vertoont. Ook bij de analyse van verschillende, uiterlijk gelijksoortige, bij n persoon in beslag gen omen hash ish monsters, werden g rote versch i llen (b.v. 2% en 8%) geconstateerd. Het is duidelijk dat deze analyse de hypothese onder-steunt dat afwijkende ervaringen meestal te verklaren zijn uit hoge T.H.C.-ge-haltes (althans hoger dan de gebruiker op dat moment verwachtte).
Al jaren gaat het gerucht dat de hashish op de Nederlandse (illegale) markt soms met opium zou zijn vermengd. Eerst in mei 1971 werden, zowel in het politielaboratorium te Amsterdam als in het gerechtelijk laboratorium te s-Gravenhage, monsters hashish met opium ontvangen. Deze hashish was, gezien de overeenkomst in uiterlijk en samenstelling, van dezelfde herkomst en moet derhalve of als zodanig gemporteerd of in n grote partij hier ver-mengd zijn. Naar de mening van de laboratorium-onderzoekers wordt de has-hish als zodanig gemporteerd, maar dit is moeilijk te bewijzen. De versprei-dingsbron was Amsterdam. Op een gegeven moment (augustus 1971) ble-ken in Amsterdam 16% van de inbeslag genomen monsters opium te bevat-ten, terwijl in s-Gravenhage (landelijk) 3% van de hashishmonsters opium bevatte. Het aantal hashishmonsters, waarin zich opium bevindt, is thans (oktober-november) zeer klein (minder dan 1%), zowel in Amsterdam als lan-delijk. Het opiumgehalte van de hashish is zo gering (circa 1%), dat dit niet tot fysieke afhankelijkheid kan leiden.
6.10. Controlemogelijkheden ten aanzien van het gebruik van cannabis
Met behulp van zeer spe,ciale methodieken (gaschromatografie gecombi-neerd met massaspectrometrie) zal het binnenkort wel mogelijk zijn de be-standdelen van cannabishars of de metabolieten in lichaamsvochten vast te stellen. De correlatie tussen het dan gevonden gehalte aan van cannabis af-komstige stoffen en de mate van benvioeding is echter nog niet bekend. Voorts zal het, gezien de langzame uitscheiding die zich over enkele dagen kan uitstrekken, moeilijk zo niet onmogelijk zijn om het tijdstip van het laatste gebruik vast te stellen. Er is derhalve nog geen methode vergelijkbaar met de bloedproef bij alcohol, om de mate van benvioeding op een eerder tijdstip te bepalen .
6.11. Samenvatting en conclusie
Cannabis geeft geen gewenning en geen fysieke afhankelijkheid. De fysiologische effecten van het gebruik van cannabis zijn van betrekkelijk onschuldige aard. Incidenteel kunnen acuut zeer onaangename psychische reacties, zoals paniek en depressie optreden. Deze verdwijnen weer na beindiging van het gebruik. Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat cannabis in de in de westerse landen gebruikelijke doseringen het psychisch functioneren duur-zaam schaadt. Voor zover cannabisgebruikers een specifiek gedrag verto-nen, houdt dit waarschijnlijk verband met involvatie in de subsultuur.
Een aantal factoren noopt tot grote.voorzichtigheid in verband met de risi-cos die het gebruik van cannabis kan opleveren. Er zijn sterke aanwijzingen dat de motorische functies door het gebruik op korte termijn negatief worden benvioed. Dit is ook aannemelijk, gezien de storingen in het korte geheugen die, naar algemeen wordt aangenomen, optreden.
Rijden onder invioed van cannabis moet dus als onverantwoord worden be-schouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedienen van apparaten en het hanteren van werktuigen. Nog algemener gesteld, dient rekening te worden gehouden met een verminderd vermogen zich op een bepaalde taak te con-centreren na het gebruikvan cannabis.
Uit het bovenstaande volgt dat het gebruik van cannabis meestal niet goed te combineren zal zijn met arbeid. Gebruik zonder risico voor individu of sa-menleving zou derhalve alleen in de vrije tijd kunnen plaatsvinden, terwijl een bepaalde periode van ontnuchtering in acht zou moeten worden geno-men. Hoe lang die periode zou moeten zijn is niet precies bekend.
Daar controlemogelijkheden ontbreken, is toezicht op naleving van voorschriften, die rijden en wewrken onder invioed van cannabis verbieden, vooralsnog niet uitvoerbaar. *
(1) World Health Orgarkization,Technical Report Series No.478, The use of cannabis, Report of a WHO Scientific group, Geneva 1971.
(2) M. M. Jansen, cannabis, enige laboratoriumstudies, uitgegeven door de Stichting Alcohol- en Drugsonderzoek 1971, stencil.
(3) Alfred Crancer e.a., A. comparison of the effect of marihuana and alcohol on si-mulated driving pedormance, Science,16 May 1969 Vol 164. p.851-854.
(4) P. Bech e.a. Cannabis and alcohol: effects on simulated driving, voordracht ge-houden op het symposium op 30 september en 1 oktober te Amsterdam (zie Inlei-ding).
(5) E. Goode, The marihuana smokers, New York, basic books 1970.
(6) Report of the Indian Hemp Drugs Commission 1893-1894 (1969), Marihuana, Tho-mas Jefferson Publishing Company, Silver Spring, Maryland.
(7) Mayor Committee on Marihuana (1944), The marihuana problem in the city of New York, Sociological, medical, psychological and pharmacological studies, Jac-ques Cathell Press, Lancaster.
(8) Wootton-report (1968), Cannabis, Report by the advisory committee on drug de-pendence, Her Majestys Stationery Office, Londen.
(9) H. M. van Praag, Marihuana, Folklore en wetenschap, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,13febr.1971.,115e jrg.nr.7.
(10) A. T. Weil, Adverse reactions to marihuana, classification and suggested treat-ment, New England, J. Med. vol. 282, p.977.
(11) H. Cohen, Psychologie sociale psychologie en sociologie van het deviante druggebruik, september 1969, stencil.
(12) B. D. Johnson, Social determants of the use of 'dangerous drugs' by college students, stencil.
(13) H. Cohen, Multiple druggebruik, toegelicht aan de z.g. stepping-stone hypothese. Mimeo.
(14) W. H. McGlothlin, The use of cannabis, East and West, voordracht gehouden op het sym posi u m op 30 september en 1 oktober 1971 te Amsterdam .