DEEL II Aanbevelingen

 

Hoofdstuk 1. Inleiding

 

1.1. Uitgangspunten

In onze samenleving wordt een steeds grotere verscheidenheid aan psychotrope stoffen in toenemende mate gebruikt. De tabel in bijlage A laat de stijging van de consumptie van alcoholhoudende dranken in Nederland per hoofd van de bevolking tussen 1950 en 1970 zien. In dezelfde periode nam ook het verbruik van sigaretten en koffie aanzienlijk toe (bijlage B).

Met betrekking tot het alcoholgebruik in Nederland merkt van Erp (1) op:

‘Omstreeks 1880 hadden we in Nederland een fors alcoholprobleem waarbij vooral jenevergebruik maar ook bierdrinken hielpen om het gebruik per hoofd per jaar op 7 liter pure alcohol te brengen. Anno 1970 drinken we ruim 5 liter pure alcohol per hoofd, maar het bierverbruik slaat met meer dan 50 liter alle Nederlandse records sedert de gouden eeuw’.

Onder de factoren die met de toeneming van het verbruik van deze genotmiddelen in verband moeten worden gebracht, neemt zeker de gestegen welvaart een belangrijke plaats in. Beziet men daarnaast de omvang die het gebruik van psychofarmaca tussen 1960 en 1970 heeft aangenomen, dan is ook daar de gestegen welvaart een medebepalende factor, meer aandacht verdienen echter de onlustgevoelens en stoornissen in het psychisch functioneren die de directe aanleiding zijn tot het innemen van deze medicamenten.

Men kan in dit verband een aantal vragen stellen: Is er misschien door de gestegen welvaart pas ruimte gekomen voor het bewust beleven van angst en onlustgevoelens die niet in direct verband staan met de zorg om het dagelijks bestaan? Is de weerstand tegen angst en frustatie verminderd, eventueel mede tengevolge van die gestegen welvaart? Of is de hoeveelheid stress die ieder te verwerken krijgt in de laatste decennia toegenomen? In de hoofdstukken 2 en 3 van deel I kwamen deze vragen even aan de orde. Dit rapport is niet de plaats om er dieper op in te gaan. De werkgroep wil hier slechts constateren dat een toenemend aantal mensen er naar streeft psychische conflicten met behulp van psychotrope stoffen het hoofd te bieden. De in dit rapport besproken drugs behoren ook tot die psychotrope stoffen en worden eveneens in toenemende mate gebruikt. Het ligt voor de hand een relatie te veronderstellen tussen het gebruik van genotmiddelen, psychofarmaca en drugs (zie de gekozen definitie van drugs in deel l lnleiding onder 2), al is de aard van die relatie niet bekend.

Het aanbod van psychofarmaca wordt gekanaliseerd door de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Het gebruik van alcohol is door een lange traditie genormeerd. Onverantwoord gebruik wordt door wettelijke bepalingen zo veel mogelijk tegengegaan. Controle op de naleving van die bepalingen is mogelijk en daarmee ook sanctie op overtreding van die bepalingen.

Wat betreft de in de Opiumwet opgenomen middelen is tot op heden door de overheid gekozen voor een systeem van totaal wettelijk verbod, voorzover deze middelen als drugs, dus niet voor geneeskundige of wetenschappelijke doeleinden, zouden kunnen worden aangewend. Men mag in dat geval deze stoffen niet produceren, niet voorhanden hebben, niet aanbieden, niet verhandelen en niet gebruiken. De verboden zijn strafrechtelijk gesanctioneerd. De nationale wettelijke maatregelen maken - enkele uitzonderingen zoals b.v. L.S.D. daargelaten - deel uit van een internationaal systeem.

De laatste tijd is in Nederland m.b.t. drugs opnieuw de vraag gerezen naar de rechtsgrond van de strafbaarstellingen, naar de doelmatigheid van de sancties, en meer in het bijzonder de vraag of alle stoffen aan hetzelfde regiem onderworpen moeten zijn. Deze vragen weerspiegelen een ook in Europees verband gevoelde behoefte aan decriminalisering van bepaalde categorieën van gedragingen en aan het maken van een onderscheid in strafrechtelijk opzicht tussen de verschillende soorten drugs naar gelang van hun schadelijkheid. In dit verband zij verwezen naar de in de bijlagen C en D opgenomen resoluties van 28 mei 1970 van de conferentie van Europese Ministers van Justitie en een in bijlage E opgenomen Aanbeveling van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa van 21 september 1970.

Dat de overheid regulerend moet optreden t.a.v. drugs, ligt ten dele reeds opgesloten in de vergelijking met alcohol en psychofarmaca. De probleemstelling spitst zich dan ook toe op de vraag welke regels gesteld moeten worden ten aanzien van de beschikbaarheid van de drugs, en welke houding de overheid jegens de gebruiker van de verschillende stoffen moet aan nemen .

In de discussies over drugs en druggebruik wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen ‘hard drugs’ en ‘soft drugs’. Men ontwerpt dan een soort gevarenschaal, b.v. heroïne ) morfine ) codeïne etc. Door op een dergelijke schaal een scheidslijn aan te brengen, kan een indeling in ‘hard drugs’ en ‘soft drugs’ worden verkregen. In sommige gevallen is de plaats die een middel op de ranglijst moet innemen discutabel.

Voorts kunnen door dosis, frequentie en eventueel de toedieningswijze mede in de beoordeling te betrekken, nog de begrippen ‘soft use’ en ‘hard use’ worden ingevoerd.

Een gevarenschaal die slechts gebaseerd is op de farmacologische eigenschappen van de stof of op de fysieke en psychische schade die het gebruik voor het individu kan opleveren, is echter geen hanteerbare maatstaf voor de overheid. Niet alleen zijn dosis, frequentie van het gebruik en toedieningswijze medebepalend voor de kans op schadelijke gevolgen voor het individu, ook tal van andere factoren spelen bij deze kansberekening een rol.

Bovendien moet de overheid bij de beoordeling of en in hoeverre maatregelen ten aanzien van de beschikbaarheid en het gebruik van een stof genomen dienen te worden, rekening houden met die factoren die kans op schadelijke gevolgen voor de gemeenschap opleveren. Alle factoren tesamen vormen het risico dat het gebruik van een stof voor het individu, maar vooral ook voor de samenleving kan opleveren. Dit risico dient het uitgangspunt te zijn voor het drugbeleid.

Het risico wordt bepaald door de hierna volgende factoren:

1. De farmacologische eigenschappen van de stof (b.v. het doen ontstaan van gewenning;)

deze werking is tevens sterk afhankelijk van

a. de dosering

b. de wijze van toediening (eten, spuiten, roken)

c. de frequentie van het gebruik

d. de persoonlijkheid van de gebruiker (gevoeligheid voor de stof, persoonlijkheidsstructuur, gemoedstoestand, verwachting).

2. De mogelijkheid om te doseren (deze hangt af van de mogelijkheid van standarisatie) .

3. De groep van de gebruikers (leeftijd, beroep).

4. De omstandigheden waaronder het gebruik ontoelaatbaar is, i.v.m. het gevaar voor anderen (werksituatie, verkeer).

5. De mogelijkheden om productie en aanbod te reguleren en te kanaliseren en het gebruik te reglementeren en te normeren.

6. De mogelijkheden om het onder 4. vermelde gebruik op dat tijdstip of op een later moment te constatesen en te evalueren.

Op basis van bovenvermelde factoren kan nu worden geschat welk risico het gebruik van een bepaalde stof oplevert. Dit risico kan dan aanvaardbaar of onaanvaardbaar worden geacht. In het laatste geval is overheidsbemoeienis gerechtvaardigd. De schadelijke werking van een stof voor het individu is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico niet de doorslaggevende factor. Zo worden b.v. tabaksartikelen vrijgelaten, waarbij men door middel van voorlichting tracht de schade te beperken. Ten aanzien van alcohol is bekend onder welke omstandigheden het gebruik in verband met gevaar voor anderen ontoelaatbaar is, en de wetgever houdt daarmee rekening. De onder 5 en 6 vermelde mogelijkheden tot regulering, normering en controle zijn m.b.t. alcohol aanwezig (drankwet, wegenverkeerswet, bloed-proef).

Met betrekking tot cannabisproducten is de schadelijkheid voor het individu (factor 1) discutabel. Zoals reeds werd vermeld, is de persoonlijkheid van de gebruiker een medebepalende factor. Het feit dat de stoffen vooral door jeugdige personen worden gebruikt, maant tot voorzichtigheid. In deel I hoofdstuk 6 werden de omstandigheden genoemd waarin het handelen on der invloed van cannabis gevaarlijk kan zijn voor individu en samenleving (arbeidssituatie en verkeer). Daarbij werd tevens uiteengezet dat controlemogelijkheden, vergelijkbaar met de bloedproef, ontbreken (factoren 4 en 6). Wat de normering van het gebruik betreft (factor 5), is de werkgroep van oordeel dat de uitwerking van een massaal aanbod aan een bevolking die deze stoffen nog niet heeft leren hanteren, onvoorspelbaar is. Op dit punt en op de mogelijkheid om het product te standariseren (2) en productie en aanbod te reguleren (factor 5) wordt onder 2. 1.3. ingegaan.

1.2. Doelstelling van het drugbeleid

De doelstelling van het door de overheid te voeren drugbeleid moet, naar de mening van de werkgroep, zijn: Het leveren van een bijdrage aan de preventie van het gebruik van drugs als onderdeel van de totale welzijnszorg. Elk preventief programma dient rekening te houden met de realiteit. Men zal prioriteit willen geven aan de bestrijding van de grootste risico’s. De werkgroep meent dat geïntegreerd gebruik van drugs mogelijk is en ook voorkomt. Dat wil niet zeggen dat hier geen risico’s liggen, maar deze kunnen soms aanvaardbaar worden geacht.

Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van sommige risico’s moet de meningsvorming nog plaatsvinden. Mogelijkheden om de ontwikkelingen te volgen en te komen tot een gefundeerde standpuntbepaling moeten worden bevorderd.

(1) Th.van Erp, Alcohol vandaag, AO-boekje 1349.