1. Inleiding en probleemstelling

1.2 Stand van zaken en evaluatie

Bij de beoordeling van het Nederlandse drugbeleid moet vooral worden gekeken naar de in de praktijk behaalde resultaten. Statistische informatie over het gebruik van drugs berust op schattingen vanwege het illegale karakter ervan. Deze schattingen zijn onder meer gebaseerd op informatie van de politie en de hulpverlening. Er bestaat echter een onbekend dark number van druggebruikers die met geen enkele instantie in contact staan. De werkelijke omvang van het gebruik wordt vaak mede geschat door middel van bevolkingsenquêtes. Vanwege het illegale karakter ervan zal druggebruik bij dergelijke enquêtes niet steeds door de ondervraagden worden toegegeven. Ook zullen juist de meest problematische groepen vaak niet in de steekproef adequaat zijn vertegenwoordigd.

In het algemeen kan worden aangenomen dat bij de overheid en de wetenschap een vollediger beeld bestaat van het gebruik van bepaalde drugs naarmate dit gebruik een minder illegaal karakter heeft. In Nederland is het bezit van soft-drugs vanaf de jaren zeventig, zoals gezegd, gedecriminaliseerd. Het gebruik van hard-drugs speelt zich weliswaar af in de illegaliteit maar de hulpverlening is in Nederland wijdverbreid en laagdrempelig. De hulpverlening neemt aan met ten minste tweederde van alle drugverslaafden in regelmatig contact te staan. Op grond van deze omstandigheden is het zicht van de Nederlandse overheid op omvang en aard van het druggebruik in vergelijking tot andere landen goed.

Beziet men tegen deze achtergrond de beschikbare statistische informatie over het gebruik van drugs in verschillende landen dan ontstaat het volgende beeld.

Het gebruik van soft-drugs in Nederland wijkt qua omvang en aard niet af van het patroon elders in de Westerse wereld*. De laatste jaren ligt het gebruik in onder meer de Verenigde Staten opnieuw beduidend hoger dan in ons land. Dit geldt evenzeer voor minderjarigen*. De decriminalisering in de jaren zeventig heeft toentertijd ook niet geleid tot een toeneming van het gebruik onder jeugdigen. De doelstelling van het Nederlandse beleid om jong-volwassenen die in een bepaalde levensfase soft-drugs willen gebruiken, af te schermen van de wereld van de hard-drugs is bovendien realistisch gebleken. Slechts een zeer klein gedeelte van de jongeren die soft-drugs gebruiken stapt over op hard-drugs. De door sommigen verkondigde opvatting dat het gebruik van hennepprodukten op zichzelf de fysiologische of psychische behoefte doet ontstaan ook hard-drugs te gebruiken - de zogenoemde stepping stone theorie - is door de feitelijke ontwikkelingen in Nederland gelogenstraft*.

Nederlandse jongeren die soft-drugs gebruiken, zijn zich terdege bewust van de grotere risico's die verbonden zijn aan het gebruik van hard-drugs zoals heroïne en gaan er niet snel toe over daarmee te experimenteren. Het deel van de soft-druggebruikers dat tevens hard-drugs gaat gebruiken is in Nederland relatief laag. De stepping stone theorie moet in het licht van deze bevindingen worden beschouwd als een van de vele mythen die over het gebruik van drugs de ronde doen. Een mythe die onder omstandigheden zou kunnen werken als self fullfilling prophecy: door het gebruik van hennepprodukten en hard-drugs zoals heroïne en cocaïne beleidsmatig over een kam te scheren kan immers juist in de hand gewerkt worden dat henneprokers met hard-drugs in contact komen. Door deze gelijkstelling wordt bovendien de geloofwaardigheid van de voorlichting over drugs aan jongeren ondergraven.

Hoe verschillend er ook over het drugbeleid wordt gedacht, er bestaat een brede consensus over het ultieme criterium aan de hand waarvan de effectiviteit van ieder nationaal drugbeleid moet worden beoordeeld. Dit is vanzelfsprekend de omvang en beweging van het aantal hard-drugverslaafden en in het bijzonder het aantal hard-druggebruikers onder de 21 jaar.

Tabel 1 biedt een vergelijkend internationaal overzicht van de geschatte aantallen hard- drugverslaafden.

Internationaal vergelijkende prevalentie-cijfers met betrekking tot verslaafden aan hard-drugs

  aantal
verslaafden
miljoen
inwoners
promille
bevolking
Nederland 25.000 15,1 1,6
Duitsland 100.000/120.000 79,8 1,3/1,5
België 17.500 10,0 1,8
Luxemburg 2.000 0,4 5,0
Frankrijk 135.000/150.000 57,0 2,4/2,6
Groot-Brittannië 150.000 57,6 2,6
Denemarken 10.000 5,1 2,0
Zweden 13.500 8,6 1,6
Noorwegen 4.500 4,3 1,0
Zwitzerland 26.500/45.000 6,7 4,0/6,7
Oostenrijk 10.000 7,8 1,3
Italië 175.000 57,8 3,0
Spanje 120.000 39,4 3,0
Griekenland 35.000 10,1 3,5
Portugal 45.000 10,0 4,5
Ierland 2.000 3,5 0,6

Bronnen: Bosman en Van Es (1993); Bless et al., 1993; WHO regional office for Europe, 1992; Europese Gemeenschap, Commissie van de Europese Gemeenschappen, 1992; Bossong, 1994; Van Cauwenberghe et al., 1993.

Het aantal hard-drugverslaafden wordt in Nederland door verschillende deskundigen geschat op ongeveer 25.000*. Dit komt neer op 1.6 promille van de bevolking. Mede vanwege het relatief hoge bereik van de Nederlandse drughulpverlening is deze schatting, zoals gezegd, betrouwbaar. Een zuivere vergelijking met de geschatte aantallen hard- drugverslaafden in andere Europese landen is niet mogelijk vanwege methodologische onzekerheden. Aannemelijk is dat in enkele andere landen waar het bereik van de hulpverlening beperkter is het dark number groter is dan in Nederland. De beschikbare schattingen wijzen hoe dan ook uit dat het aantal hard-drugverslaafden per 100.000 inwoners in Nederland laag ligt in vergelijking tot het Europese rekenkundige gemiddelde dat op 2,7 zou liggen. Het Nederlandse promillage is fors lager dan bijvoorbeeld in Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Spanje en Zwitserland. In bijlage I is een overzicht opgenomen van de geschatte aantallen drugverslaafden in enkele Europese landen volgens verschillende bronnen. Volgens alle schattingen is het aantal verslaafden in Nederland relatief laag.

Verheugend is vooral dat in Nederland het aantal heroïnegebruikers onder de 21 jaar, ook onder kwetsbare groepen, relatief laag is en de laatste jaren verder blijft afnemen*. Ook het gebruik van goedkope vormen van cocaïne heeft geen brede ingang gevonden, zoals enkele jaren geleden, naar aanleiding van de ontwikkelingen onder andere in de Verenigde Staten, werd gevreesd*.

De aanwas van jeugdige gebruikers wordt waarschijnlijk mede geremd door het 'losers' imago dat heroïneverslaafden hebben gekregen. De aanwezigheid van ernstig verloederde oudere verslaafden in sommige sociaal kwetsbare buurten vormt overtuigende antipropaganda voor het gebruik van heroïne. Het ontbreken van repressieve acties van de politie tegen de verslaafden louter vanwege hun druggebruik en de laagdrempelige verstrekking van het vervangende middel methadon voorkomen dat de levenswijze van verslaafden door jongeren als uiting van sociaal of cultureel verzet wordt gezien.

Het aantal sterfgevallen in verband met overdoses drugs ligt in Nederland op een laag niveau. Volgens een rapport van de Verenigde Naties bedroeg het aantal drugdoden in Nederland in 1991 42. Dit aantal bedroeg in België 82, Denemarken 188, Frankrijk 411, Duitsland 2125, Italië 1382, Verenigd Koninkrijk 307, Spanje 479. In de Verenigde Staten lag het op 5830*. Het aantal drugdoden per 100.000 inwoners ligt elders dus minstens twee keer zo hoog. Dit aantal vertoont in Nederland, anders dan elders in de wereld, geen stijging.

Nederland kent naar verhouding beperkte aantallen AIDS-gevallen onder drugverslaafden. Vooral in de Zuideuropese landen ligt het percentage geïnfecteerden onder druggebruikers aanzienlijk hoger. Door de toegankelijkheid van het hulpaanbod, inclusief de spuitenomruil, en de brede voorlichting in ons land is aanzienlijke risico-reductie opgetreden met betrekking tot het intraveneuze druggebruik. Het aandeel van de verslaafden in de totale populatie van HIV-positieven is betrekkelijk gering*. Volgens onderzoek gebruikt van de heroïneprostituées inmiddels bijna 60% een condoom, tegenover 20% in 1986*. Hiervan gaat een preventieve werking uit op de verbreiding van AIDS buiten de primaire risicogroepen.

Ook wat betreft de mortaliteit en morbiditeit onder de verslaafden valt een vergelijking met de drugproblematiek in naburige landen dus gunstig uit voor Nederland. Het zogenoemde harm reduction-beleid waartoe o.a. de grootschalige methadonprogramma's en spuitenomruil kunnen worden gerekend, waarmee in Nederland reeds in de jaren zeventig is begonnen, heeft relatief goede resultaten opgeleverd. Dit beleid heeft tevens een bijdrage geleverd aan de beperking van de AIDS-epidemie.

Al met al is de conclusie gewettigd dat met het Nederlandse drugbeleid concrete resultaten zijn geboekt in termen van volksgezondheid.




Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24077, nrs. 2-3
© Ministerie VWS