3. Preventie, zorg en behandeling van verslaafden

3.1 Het belang van zorgvernieuwing

Het aantal hard-drugverslaafden is in Nederland stabiel en relatief laag (zie bijlage I). De gemiddelde leeftijd van heroïneverslaafden ligt boven de dertig jaar en is nog steeds stijgende*. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat het beleid ten aanzien van soft-drugs heeft geleid tot een grote aanwas van verslaafden aan hard-drugs. Het gegeven dat Nederlandse jongeren volgens opgaven van o.a. de Amsterdamse GG&GD zelden voor hun 21ste jaar beginnen met het gebruik van hard-drugs zoals heroïne of cocaïne wijst eerder op het tegendeel*.

Het grotendeels ontbreken in Nederland van jongeren die reeds voor hun 21ste jaar heroïne of cocaïne gebruiken is zeer verheugend. Dit te meer daar de ervaring heeft geleerd dat de kans dat personen op een gegeven moment in hun leven hun verslaving overwinnen groter is naarmate op een latere leeftijd met het gebruik is begonnen.

Inmiddels wordt de zorg geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen.

Zoals hierboven reeds beschreven, is de door een deel van de verslaafden veroorzaakte overlast toegenomen. Ten tweede wordt de zorg geconfronteerd met een steeds groter wordende variëteit van extreem problematische doelgroepen die om een aangepaste benadering vragen. Voorbeelden hiervan zijn de geestelijk gestoorde verslaafden, verslaafden met een zwaar criminele en/of agressieve levenswijze, verslaafde dak- en thuislozen en zwerfjongeren, allochtone verslaafden en polydruggebruikers. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze groepen is dat hierbij de verslavingsproblematiek niet op zichzelf staat, maar veelal gerelateerd is aan problemen van andere aard, zoals psychiatrische aandoeningen, leefstijl- en gezondheidsproblemen en/of sociale achterstandssituaties. Steeds vaker doen zich onder verslaafden ziektes als TBC en vormen van hepatitis voor. Bij een groot aantal van tot deze doelgroepen behorende verslaafden is sprake van een slechte lichamelijke en psychische staat mede vanwege het langdurig gebruik, waardoor de kans op herstel gering is*.

Het Nederlandse beleid ten aanzien van verslaafden aan hard-drugs heeft lange tijd als uitgangspunt gehad dat verslaafden in feite patiënten zijn die voor hun verslaving moeten worden behandeld met op abstinentie gerichte methodieken. Het aantal wetenschappelijk verantwoorde, brede evaluaties van de effectiviteit van dergelijke behandelingsprogramma's op de wat langere termijn is gering. Uit studies blijkt dat dit type interventie slechts van beperkte invloed is op het verloop van het verslavingsproces* *.

De hulpverlening die zich richt op beperking van de schade tijdens de verslavingsperiode is daarentegen redelijk effectief. De gezondheidstoestand van Nederlandse verslaafden is hierdoor relatief goed hetgeen zich thans onder meer manifesteert in een groeiend contingent oudere verslaafden. Een deel van de Nederlandse verslaafden is ook sociaal betrekkelijk goed geïntegreerd.

De tegenvallende resultaten van sommige alleen op abstinentie gerichte vormen van behandeling en het ontstaan van nieuwe groepen verslaafden waarbij de verslaving onderdeel van een bredere problematiek is, noopt tot bijstellingen in het aanbod van preventie- en zorgvoorzieningen. De volgende vernieuwingen hebben in de ogen van het kabinet de hoogste prioriteit:

Deze vernieuwingen betreffen de zorg en preventie gericht op de totale populatie drugverslaafden, en kwetsbare groepen die het risico lopen verslaafd te raken. Daarbinnen zal tevens de nodige aandacht gegeven worden aan de groep problematische - veelal criminele - verslaafden.

Op elk van deze speerpunten van de beoogde zorgvernieuwing wordt hieronder een korte toelichting gegeven.




Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24077, nrs. 2-3
© Ministerie VWS