3. Preventie, zorg en behandeling van verslaafden

3.6 Dwang en drang in de verslaafdenzorg

Basis voor het in gang gezette beleid is de eerdergenoemde nota over overlastvermindering (TK 1992-1994, 22684, nr. 12). Centraal staat daarbij de 'dwang- of drang'-benadering: een deel van de verslaafde justitiabelen wordt voor de keuze gesteld òf een begeleidings- en behandelingstraject te doorlopen met perspectief van maatschappelijke integratie en beëindiging van de criminele carrière, òf voortgezette voorlopige hechtenis te ondergaan.

Voor de implementatie van het in de nota weergegeven beleid is, zoals gezegd, de interdepartementale Stuurgroep Vermindering Overlast (SVO) opgericht.

Vanuit de SVO is in overleg met de partners in de gemeenten die de verantwoordelijkheid voor het verminderen van de overlast en de ambulante verslavingszorg hebben, gewerkt aan het opstellen van integrale projectplannen. De primaire verantwoordelijkheid voor het vormgeven van het lokale beleid ligt immers bij de gemeente. In 1994 hebben negen gemeenten een financiële bijdrage ontvangen. Bij de selectie van de in totaal 25 gemeenten die vanaf 1995 voor een financiële bijdrage in aanmerking komen, is rekening gehouden met het 'Grote Stedenbeleid'. Bij de toedeling van de gelden is onder meer als criterium gehanteerd dat er sprake moest zijn van een integrale benadering die zowel aandacht heeft voor preventie, zorg en detentie als resocialisatie. Tevens diende duidelijk te zijn dat de verschillende actoren zoals verslavingszorg (ambulant en intramuraal), politie, justitie, reclassering, gemeentelijke diensten en penitentiaire inrichtingen alle een verantwoordelijkheid hebben aanvaard bij het verwezenlijken van de vermindering van de overlast.

Naast deze lokale projecten zijn en worden er ook bijdragen verstrekt voor landelijke initiatieven, zoals het project 'Drang op Maat' bij de NeVIV, uitbreiding sociale pensions, uitbreiding vroeghulpinterventieprojecten bij de Reclassering (VIP), ontwikkelen van taakstraffen voor verslaafden, uitbreiding van het aantal drugvrije afdelingen (dva's) in penitentiaire inrichtingen en de oprichting van een forensische verslavingskliniek (FVK). Deze bijzondere verslavingskliniek, die zal bestaan uit een gesloten en een open fase, zal naar verwachting starten in begin 1996.

De doelgroep van deze zorgvoorziening bestaat uit verslaafde justitiabelen die behandelbaar zijn maar van wie de aard van de verslaving, de ernst van de gepleegde strafbare feiten, de persoonlijkheidsstructuur en de hulpverleningshistorie zodanig zijn dat opname in een open zorgvoorziening niet geïndiceerd is. Instroom in deze voorziening vindt derhalve plaats in een gesloten fase die qua verblijfsduur per cliënt kan verschillen. Na afronding van de gesloten fase vindt doorstroming naar de open fase plaats die vorm wordt gegeven in een woon-werkgemeenschap in een landelijke omgeving. Het gaat om een voor de verslavingszorg nieuwe voorziening die als experiment gestart wordt en waarvan de implementatie de nodige ontwikkelingstijd vergt. Om deze reden zal op kleine schaal met de gesloten fase gestart worden. Uiteindelijk zal voorzien worden in maximaal 70 plaatsen.

Wij zullen, conform de raming in de 'nota inzake het beleid gericht op het verminderen van door verslaafden veroorzaakte overlast', het budget van de SVO voor het jaar 1996 ophogen met 12,5 mln. Zoals hiervoor gezegd, zal de SVO samengevoegd worden met de themagroep veiligheid in de Interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg.

Het kabinet hecht grote waarde aan uitbreiding van de capaciteit voor de dwang- en drangprojecten. De 200 extra cellen met een eenvoudig regime die goeddeels dit jaar beschikbaar komen - de zogenoemde Wallage- cellen - zijn in het kader van het grote stedenbeleid gereserveerd voor de vier grootste steden. Voor de drangprojecten van verslaafden zijn meer en andersoortige cellen nodig. Van de in 1996 beschikbaar komende extra cellen waartoe het kabinet heeft besloten, zullen er, in overleg met het openbaar ministerie 500 worden gereserveerd voor de detentie van verslaafden die ernstige delicten plegen. Daarmee is voor deze categorie voldoende extra capaciteit beschikbaar.

Binnen de penitentiaire inrichtingen zijn, in het kader van het beleidsplan Werkzame Detentie, Drug Vrije Afdelingen (dva's) gecreëerd. De capaciteit van deze afdelingen met een aangepast regime bedraagt ongeveer 300. In een uitbreiding tot in totaal 620 plaatsen in 1997 is voorzien. Het is de bedoeling dat gemotiveerde verslaafden gedurende (delen van) hun detentie in dva's verblijven en zich actief voorbereiden op behandeling en maatschappelijk herstel. De uitstroom uit de dva's geschiedt òf naar behandelvoorzieningen door toepassing van art. 47 Gevangenismaatregel, òf door beëindiging van de detentie met de mogelijkheid van voortgezette begeleiding door de verslavingszorg en/of reclassering.

De strafrechtelijke maatregel opvang verslaafden

De thans bekende dwang- en drangprojecten zijn bedoeld voor verslaafden die betrekkelijk ernstige delicten hebben gepleegd. Zij worden in de regel na ontslag uit de penitentiaire inrichting opgenomen in een drugkliniek. Volgens de huidige inzichten is, zoals gezegd, voor veel verslaafden het streven naar abstinentie op de korte termijn weinig realistisch en zou beter kunnen worden gestreefd naar een verbetering van de levenswijze en maatschappelijke integratie van de verslaafde. Voor dit doel worden ambulante vormen van hulpverlening aangeboden waarbij de nadruk ligt op het volgen van een opleiding en het opdoen van werkervaring. In o.a. Dordrecht en Den Bosch zijn goede ervaringen opgedaan met de aanbieding van opleiding en werk onder strikte voorwaarden aan stelselmatige daders waaronder verslaafden*.

Met de vier grote steden zijn in het kader van het grote stedenbeleid besprekingen gevoerd over de mogelijkheid om in de vorm van een experiment criminele verslaafden die reeksen lichte misdrijven plegen te laten deelnemen aan vormen van opvang in een gesloten setting. Voor een groot deel van deze doelgroep is een verbetering van de levensstijl het maximaal haalbare. Dit kan worden bereikt door plaatsing in een gesloten opvangsituatie waarbinnen wordt gewerkt aan het maatschappelijk herstel door middel van opleidingen en het opdoen van werkervaring.

De juridische grondslag voor deze nieuwe vormen van opvang van problematische criminele verslaafden kan vooralsnog bestaan uit onder meer de schorsing van de preventieve hechtenis onder bijzondere voorwaarden. De verslaafden bevinden zich dan op basis van vrijwilligheid in een gesloten setting als alternatief voor het verblijf in een HvB of gevangenis. Zodra zij voortijdig uit het programma stappen, volgt arrestatie en (her)insluiting in het Huis van Bewaring. De gemeente is verantwoordelijk voor de aanbieding van hulp-, scholings- en werktoeleidingvoorzieningen, zowel tijdens de plaatsing als na ontslag. Idealiter wordt daarbij tevens uitzicht geboden op een arbeidsplaats aan het einde van de rit. Het ministerie van SoZaWe is daarom bij de voorbereiding van het experiment betrokken.

De constructie om verslaafden in een opvangsituatie te plaatsen als voorwaarde bij een geschorste preventieve hechtenis is niet ideaal. De plaatsing komt in de plaats van een betrekkelijk korte vrijheidsstraf en kan dus slechts van korte duur zijn. Het is gewenst dat er mogelijkheden komen voor de gedwongen opvang van verslaafden die wegens o.a. het plegen van reeksen lichte misdrijven en/of het vertonen van agressief gedrag ernstige overlast geven. Hiervoor moet een specifieke juridische basis worden gecreëerd. De Minister van Justitie zal daarom een wetsvoorstel indienen voor de invoering van de strafrechtelijke maatregel opvang verslaafden, deels naar analogie van de vroegere plaatsing in een rijkswerkinrichting van landlopers, bedelaars en souteneurs ex artikel 432 WvSr.

De rechtvaardiging voor plaatsing van verslaafden die met grote regelmaat delicten blijven plegen, is niet gelegen in de ernst van de door hen gepleegde delicten afzonderlijk. Deze ligt enerzijds in de door hun criminaliteit veroorzaakte maatschappelijke overlast en anderzijds in het belang van aan drugs verslaafde personen om een geïntegreerd hulp- en scholingsaanbod te krijgen in een gesloten setting. De maximale duur van de plaatsing zal daarom uitgaan boven het gangbare strafrechtelijke tarief voor vermogensdelicten en bijvoorbeeld bestaan uit minimaal drie maanden en maximaal een of twee jaar.

De gemeentebesturen van de vier grote steden hebben inmiddels hun medewerking aan de verwezenlijking van een of meer proefnemingen toegezegd. Op zeer korte termijn zal een inventariserende studie worden verricht ter bepaling van o.a. de precieze omvang van de doelgroep. De gemeenten Rotterdam en Amsterdam hebben zich bereid verklaard de experimenten mede te financieren. Wij zijn onzerzijds voornemens hiervoor gelden te bestemmen die behoren tot het budget voor het grote stedenbeleid.

Met de grote steden is afgesproken dat door de eerdergenoemde Interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg een gezamenlijke werkgroep zal worden ingesteld die tot taak heeft om de studie en daarna een of meer experimenten voor te bereiden en te begeleiden. Wij streven ernaar in 1996 aan te vangen met een experiment in de gemeente Rotterdam voor ongeveer 100 overlast gevende verslaafden. De Task Force zal voorstellen ontwikkelen voor de uitbreiding van de experimenten tot minimaal 300 plaatsen, waarvan er in ieder geval 100 ter beschikking zullen komen van de gemeente Amsterdam.

Wij verwachten dat de uitbreiding van de toepassing van dwang- en drangprojecten, in combinatie met de uitbreiding van de reguliere celcapaciteit, mede gezien de overzichtelijke omvang van de categorie hoog-actieve recidivisten per stad, zal leiden tot een wezenlijke vermindering van de overlast door problematische criminele verslaafden.




Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24077, nrs. 2-3
© Ministerie VWS