4. Het softdrug- en coffeeshopbeleid

4.5 Drugtoerisme en coffeeshops

De coffeeshops trekken vooral in de grensgebieden klandizie uit naburige landen tot ergernis van de overheden wier eigen drugbeleid althans in theorie gericht is op het illegaal houden van de verkoop van ook gebruikersporties cannabis. De bewoners van de Nederlandse grenssteden ondervinden er bovendien, zoals gezegd, aanzienlijke overlast van.

Als oplossing voor het probleem van het drugtoerisme is voorgesteld de verkoop aan buitenlanders met een beroep op het Schengen-verdrag te verbieden. Een gebod om te discrimineren tussen Nederlandse en buitenlandse kopers van cannabis staat echter op gespannen voet met de Grondwet en is overigens moeilijk handhaafbaar. Indien wel onderscheid wordt gemaakt, zullen Nederlanders als tussenpersonen worden ingeschakeld.

De buitenlandse kritiek is niet in de eerste plaats gericht tegen het gebruik ter plekke van cannabis in Nederlandse coffeeshops als wel tegen de import van hoeveelheden die als voorraad kunnen worden beschouwd. Het 30-grams criterium dat de grens tussen overtreding en misdrijf aangeeft is bij de totstandkoming van de Opiumwet van 1976 ontleend aan wetgeving in de Verenigde Staten waarin het bezit van maximaal een 'ounce' cannabis is gedecriminaliseerd. Deze norm is tevens aangehouden omdat het een hoeveelheid zou zijn waarmee gebruikers die hun rookwaar met anderen deelden, gedurende ongeveer twee weken toekonden. Met deze hoeveelheid zouden deze gebruikers nog onder het overtredingsregiem kunnen vallen. Bij de behandeling van de Opiumwet van 1976 kwam in de Tweede Kamer al aan de orde dat dit criterium het risico van een ontwikkeling naar meer professionele handel in zich droeg.

Van een hoeveelheid van dertig gram cannabis kan men bijvoorbeeld ongeveer 50 à 100 sigaretten (stickies) maken. In de coffeeshops worden door de doorsnee klant porties van hooguit 3 gram gekocht ter waarde van ongeveer f 25,-. Zeker in de grensstreken zijn hoeveelheden, verkocht aan buitenlanders, groter dan enkele grammen, zo goed als zeker bestemd voor de export. Op weekenddagen komt in veel gemeenten twee derde van de omzet van coffeeshops voor rekening van drugtoeristen*. Er zijn aanwijzingen dat na het wegvallen van de grenscontroles de hoeveelheden die bij aanhouding van smokkelende drugtoeristen worden inbeslaggenomen, groter zijn geworden.

De verminderde strafbaarstelling voor hoeveelheden van dertig gram of minder geldt niet voor de in- of uitvoer. Het is vanzelfsprekend nooit de bedoeling geweest van het Nederlandse beleid dat coffeeshops zouden gaan functioneren ter bevoorrading van het buitenland. De uitvoer van soft-drugs is, ongeacht de hoeveelheid, volgens de Nederlandse Opiumwet een misdrijf. Voor een coffeeshophouder kan onder omstandigheden het verkopen van soft-drugs aan een buitenlander of een Nederlandse tussenpersoon neerkomen op het medeplegen van uitvoer, dat wil zeggen op een misdrijf, ook voor hoeveelheden van minder dan dertig gram.

In de richtlijn van het openbaar ministerie is de wettelijke norm voor het bezit van een gebruikersvoorraad van maximaal 30 gram ook toegepast op de verkoop van cannabis door de gedoogde shops. Naar ons oordeel vormt de in de grensstreken ondervonden overlast en de kritiek uit het buitenland een gerede aanleiding om deze norm voor de verkoop te heroverwegen. De toegestane verkoop door de shops zal worden beperkt tot 5 gram per klant. Deze aanpassing van de OM-richtlijnen brengt de centrale doelstelling van het beleid - de afscherming van gebruikers van de wereld van hard-drugs - niet in gevaar. In de enkele shops die geen winstoogmerk hebben, worden ook thans slechts porties van maximaal 3 of 5 gram verkocht. Nederlanders vanaf 18 jaar en ouder die soft-drugs willen gebruiken kunnen daarvoor onverminderd in de coffeeshop terecht. Tevens blijft gelden dat het enkele bezit van een gebruikersvoorraad tot maximaal 30 gram geen opsporingsprioriteit krijgt. Buitenlandse bezoekers wordt het echter moeilijker gemaakt om een voorraad aan te schaffen ter exportering. Dit zal zeker op de buitenlandse jongeren een drempelverhogend effect hebben.

De handhaving van de vijfgramsnorm voor de verkoop is op zichzelf niet lastiger dan die van de huidige norm van dertig gram. Shops die regelmatig grotere porties dan 5 gram verhandelen zullen onmiddellijk als zodanig bekend komen te staan. Waar reeds wordt gecontroleerd op het dertiggramscriterium hoeft handhaving van de vijfgramsnorm geen extra capaciteit te kosten. De handhaving van de vijfgramsnorm zal een onderdeel zijn van de striktere controle en handhaving die in verband met de na de sanering resterende shops hoe dan ook gaat plaatsvinden. Indien het buitenlandse drugtoerisme niet afneemt zal ter onderstreping van het nieuwe beleid periodiek gerichte opsporing plaatsvinden in verband met de export van in shops of elders gekochte handelsvoorraden cannabis door buitenlandse toeristen. Hiervoor zal waar nodig steun worden gevraagd van de betrokken politiële autoriteiten in het buitenland met een beroep op de hierover in het kader van het Schengen Akkoord in 1990 gemaakte afspraken.

Met de maximering van de in coffeeshops te verkopen porties cannabis voldoet Nederland aan de in de slotacte van de uitvoeringsovereenkomst van 1990 met betrekking tot het Schengen Akkoord aanvaarde verplichting om grensoverschrijdende effecten van een eventueel afwijkend soft-drugbeleid zoveel mogelijk tegen te gaan. Door deze aanpassing wordt een deel van de kritiek in binnen- en buitenland op de coffeeshops weggenomen zonder dat de primaire sociale functie ervan - de scheiding van de consumentenmarkten voor soft- en hard-drugs - wordt aangetast. Het openbaar ministerie zal deze norm opnemen in de OM-richtlijn en voor de handhaving zorgdragen.

Een knelpunt voor de exploitanten van coffeeshops is dat weliswaar de verkoop van kleine hoeveelheden soft-drugs wordt gedoogd maar het bezit van de daarvoor benodigde handelsvoorraad soft-drugs niet. In de praktijk van de feitelijke rechtshandhaving speelt dit probleem geen grote rol. De OM-richtlijn zal worden aangepast in die zin dat geen gerichte opsporing plaatsvindt indien exploitanten van coffeeshops zich aan de gemeentelijke en strafrechtelijke voorwaarden houden en in dat verband in die coffeeshop een voorraad van maximaal enkele honderden grammen in bezit hebben.




Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24077, nrs. 2-3
© Ministerie VWS