Het Nederlandse Drugbeleid:

Conclusies en beleidsvoornemens

Bij het Nederlandse drugbeleid van de afgelopen twintig jaar heeft het volksgezondheidsbelang steeds voorop gestaan. Gemeten aan deze doelstelling is dit beleid geslaagd te noemen. De decriminalisering van het bezit van gebruikershoeveelheid soft-drugs en de aanwezigheid van onder voorwaarden gedoogde verkooppunten heeft niet geleid tot een zorgwekkend hoog consumptieniveau onder jongeren. Gebruikers van soft-drugs zijn bovendien, in overeenstemming met de bedoeling van het scheiding-van-markten-beleid, in de regel niet genegen om met het gebruik van hard-drugs zoals heroïne of cocaïne te experimenteren. Het gebruik van heroïne of cocaïne komt onder Nederlandse minderjarigen weinig en bovendien in afnemende mate voor. Deze ontwikkeling steekt gunstig af bij die in de meeste andere Europese landen. In dit verschil ligt waarschijnlijk ook de verklaring voor de uiteenlopende toonzetting van het publieke debat in Nederland en in sommige andere landen. In Nederland wordt het drugprobleem niet meer primair ervaren als een acute bedreiging voor de volksgezondheid maar als een bron van overlast. Bij de actuele Nederlandse probleemdefinitie en -beleving past een meer zakelijke en bestuurlijke benadering.

Het sterk op preventie en zorg gerichte beleid ten aanzien van drugverslaafden heeft ertoe bijgedragen dat de gezondheidstoestand van in Nederland woonachtige verslaafden eveneens gunstig afsteekt bij die in naburige landen. De besmetting met het HIV- virus onder de verslaafden is minder wijd verbreid dan elders en neemt af. De sterfte onder Nederlandse verslaafden is laag en neemt niet, zoals in veel Europese landen, toe.

Het kabinet ziet in de tot nu toe bereikte resultaten aanleiding om het gevoerde pragmatische, op beheersing van gezondheidsschade gerichte beleid in zijn grondtrekken te continueren.

Inmiddels hebben zich evenwel enkele ongunstige implicaties gemanifesteerd die toch tot aanpassingen op onderdelen nopen. De door Nederlandse en buitenlandse druggebruikers veroorzaakte criminele en overige overlast heeft in veel gemeenten een kritische grens overschreden en moet dus om die reden worden verminderd. Door deze nevenverschijnselen wordt bovendien het maatschappelijke draagvlak voor het op sociale integratie van de gebruikers gerichte beleid ondermijnd. Het Nederlandse drugbeleid zal in de komende jaren gericht blijven op het tegengaan van de nadelige gevolgen van druggebruik voor de volksgezondheid maar tevens ten doel hebben om de maatschappelijke overlast terug te dringen.

Ook de aantrekkingskracht die de Nederlandse drugmarkt uitoefent op gebruikers uit naburige landen en de kritiek die mede daarom het als tolerant aangemerkte Nederlandse beleid in andere landen oproept, dwingen tot aanpassingen. Ten slotte is de toenemende betrokkenheid van criminele organisaties bij de aanvoer en verkoop van drugs in binnen- en buitenland uiterst zorgwekkend. De toenemende economische macht van de georganiseerde misdaad is ook in Nederland een groot en urgent probleem.

Los van deze complicaties bij het gevoerde beleid moet onder ogen worden gezien dat de drugsproblematiek steeds van karakter verandert. Onder jongeren heeft heroïne een losers-imago gekregen en is het gebruik van synthetische drugs zoals XTC sterk in opkomst. Deze laatste drugs kunnen, afhankelijk ook van de context waarin zij worden gebruikt, grote schade aan de gezondheid toebrengen. Zij worden daarom gerekend tot de hard- drugs. De aanpak van deze drugs vraagt overigens om een eigensoortige aanpak.

Een andere trend met belangrijke beleidsimplicaties is het intensieve gebruik van zowel soft- als hard- drugs binnen sociaal-gemarginaliseerde groepen in de samenleving. Bij deze doelgroep kan de verslavingszorg slechts effectief zijn indien deze onderdeel uitmaakt van een meer omvattende aanpak waarbinnen tevens wordt gepoogd de scholings- en arbeidssituatie te verbeteren. Het door dit kabinet in nauwe samenwerking met de betrokken gemeentebesturen gevooerde grote stedenbeleid, dat mede is gericht op de integratie van jongeren die maatschappelijk dreigen te ontsporen, biedt daarvoor goede mogelijkheden.

De legaliseringsdiscussie

In de Nederlandse samenleving gaan reeds enige tijd stemmen op om de produktie en verkoop van drugs geheel uit de strafwet te halen. Hierdoor zouden de prijzen van drugs, zo luidt de redenering, sterk dalen waardoor criminele organisaties hun belangrijkste inkomstenbron zouden verliezen. Tevens zouden verslaafden geen vermogensdelicten meer hoeven te plegen om aan geld te komen voor de aankoop van illegale drugs.

Het kabinet is van oordeel dat aan het vrijgeven van hard-drugs het risico verbonden is dat meer jongeren die in sociaal-kwetsbare omstandigheden verkeren dergelijke drugs zullen gaan gebruiken met alle gezondheidsrisico's van dien. Deze risico's acht het kabinet op zichzelf een voldoende reden om deze beleidsoptie af te wijzen. Het verheugend geringe en nog steeds kleiner wordende aantal verslaafden beneden de 21 jaar mag niet in de waagschaal worden gesteld. De geringe aantallen minderjarige drugverslaafden in de Nederlandse steden vormen immers een belangrijke verworvenheid van het Nederlandse drugbeleid.

Met betrekking tot de soft-drugs ligt de situatie enigszins anders. De Nederlandse ervaringen met de coffeeshops hebben uitgewezen dat door de grotere beschikbaarheid van deze drugs op zichzelf geen onaanvaardbare toename van het gebruik is ontstaan. De shops vervullen voor jongeren een nuttige sociale functie als buffer tegen de criminele scene rond hard-drugs. De vraag komt op of niet zou moeten worden overgegaan tot legalisering van de aanvoer van soft-drugs naar de shops. Liberalisering zonder meer, dat wil zeggen volledige commercialisering van de handel in soft-drugs, achten wij ongewenst. Het gebruik dient, o.a. door voorlichting te worden ontmoedigd. Gedacht zou eerder kunnen worden aan de invoering van een overheidsmonopolie of een vergunningenstelsel. Hieraan zouden zeker voordelen verbonden zitten. De rol van criminele organisaties bij de shops zou kunnen worden teruggedrongen. Tegen deze optie verzetten zich echter de verplichtingen die voortvloeien uit verdragen waaraan Nederland zich verbonden heeft.

De opzet van een vergunningenstelsel brengt grote uitvoerings- en controlelasten met zich mee. Van de eventuele legalisering van de teelt en/of handel in soft-drugs zal bovendien waarschijnlijk een aanzuigende werking uitgaan waardoor de door buitenlandse drugtoeristen veroorzaakte overlast nog zou verergeren. Bij vormen van legalisering die beperkt zijn tot Nederland moet er trouwens rekening mee worden gehouden dat georganiseerde misdaad gericht op doorvoer naar andere landen blijft bestaan en dus onverminderd bestreden zal moeten worden.

De nadelen wegen voor het kabinet zwaarder dan de praktische voordelen. Eventuele knelpunten rond de coffeeshops kunnen beter binnen de bestaande ruimte in de Opiumverdragen worden opgelost door aanpassingen van het strafvorderlijke beleid van het openbaar ministerie, in combinatie met bestuurlijke regulering.

Het kabinet zal zich inspannen om op een zo effectief mogelijke wijze te participeren in de Europese en internationale discussies over het drugbeleid. Het verstrekken van feitelijke informatie over achtergronden en resultaten van het Nederlandse beleid heeft daarbij de eerste prioriteit. Naar het oordeel van het kabinet is de ruimte voor de benvloeding van de Europese discussie beperkter dan vaak wordt gemeend. Normatieve overwegingen, die cultureel en ideologisch zijn bepaald, spelen in deze discussie onvermijdelijk een grote rol.

De Nederlandse bijdrage aan de door het kabinet wenselijk geachte internationale en Europese discussie over de voor- en nadelen van de legalisering van soft-drugs dient dus behoedzaam en met een gepaste relativering van de eigen opvattingen te worden geleverd. De aanpak zal o.a. moeten bestaan uit het leggen van contacten met strategische partners in het buitenland.

Vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven die zich zorgen maken over het door de overheid gevoerde drugbeleid, kunnen aan deze internationale discussie een bijdrage leveren.

Integrale aanpak

Het kabinet kiest bij de aanpak van de drugproblematiek voor het vasthouden van de in de jaren zeventig ingezette koers met enkele aanpassingen. Op de problematiek van de verslaafden zal evenals in het verleden worden gereageerd binnen een aangepast kader van preventie, zorg, behandeling en strafrechtelijke sanctionering van crimineel gedrag. In dit kader worden echter enkele nieuwe accenten gelegd.

De primaire preventie zal enerzijds meer dan thans worden gericht op het recreatieve gebruik van nieuwe drugs zoals XTC en anderzijds op het meer problematische druggebruik onder sociaal-kwetsbare groepen. Ten behoeve van de informatievoorziening, deskundigheidsbevordering en beleidsontwikkeling op het terrein van drugpreventie zal een landelijke steunfunctie worden gerealiseerd.

Het zorgaanbod zal beter worden afgestemd. Hierbij gaat het o.a. om een betere aansluiting van de verschillende vormen van zorg zoals de methadonverstrekking en projecten met betrekking tot scholing, arbeid en huisvesting. Meer dan in het verleden zal aan de verslaafden een integraal zorgaanbod op maat worden gedaan waaruit naast rechten ook plichten voortvloeien. Meer aandacht zal in dat verband ook worden besteed aan het case-management.

De behoefte aan een flexibeler en integraler preventie- en zorgaanbod betekent tevens dat er een heldere beleids- en financieringsstrategie nodig is. Gelet hierop heeft het kabinet besloten te laten onderzoeken of de huidige, regionale aanpak van de ambulante verslavingszorg via 23 centrumgemeenten ook na afloop van de Tijdelijke Wet Stimulering Sociale Vernieuwing per 1-1-97 kan worden gecontinueerd. Met het oog op de noodzakelijke monitoring van de verslavingsproblematiek zullen wij tevens voor de deelname aan de landelijke informatievoorziening een wettelijke regeling treffen.

Overlastbestrijding

Om de gerezen problemen van overlast en criminaliteit het hoofd te kunnen bieden, is een integrale aanpak vereist waaraan alle partijen - rijk, gemeentebesturen, openbaar ministerie, politie, reclassering, gevangeniswezen en verslavingszorg - een op elkaar afgestemde bijdrage leveren. Ten aanzien van het gebruik van hard-drugs zal de inzet van het lokaal bestuur, politie, openbaar ministerie en hulpverleners gericht moeten zijn op het conditioneren van het gedrag van verslaafden. Het feit dat het gebruik van drugs op zichzelf niet strafbaar is, betekent geen vrijbrief voor verwervingscriminaliteit, agressiviteit of overlastgevend gedrag. Verslaafden die zich hieraan schuldig maken zullen tot de orde worden geroepen.

Het binnen aanvaardbare grenzen houden van deze randverschijnselen van het druggebruik vraagt om intensieve afstemming tussen alle betrokken instanties. Zonder de verslaafden onbereikbaar te willen maken voor de hulpverlening, achten wij het nodig dat ook in het zorgtraject de nodige aandacht wordt besteed aan het vermaatschappelijken van het gedrag van verslaafden. Een ketenbenadering is hierbij essentieel.

Belangrijk is allereerst de versterking van de preventieve aanpak. De aangekondigde actieprogramma's van de grote steden voor de integrale aanpak van de sociale jeugdproblematiek leggen daarvoor de benodigde fundamenten. Door de verbetering van de maatschappelijke perspectieven van sociaal kwetsbare jongeren worden de problemen bij de wortel aangepakt. Vervolgens dient de verslavingszorg laagdrempelig te zijn en gedifferentieerd. Ook voor cliënten van de verslavingszorg is het creëren van maatschappelijk perspectief, o.a. in de vorm van scholing en werk essentieel. Tegelijkertijd zal tegen verslaafden die blijven ontsporen in overlastgevend en crimineel gedrag correctief worden opgetreden. Ook verslavingsinstellingen dienen deze beleidsuitgangspunten uit te voeren. Ten slotte zal er als sluitstuk van de keten voldoende celcapaciteit ter beschikking staan om hardnekkige overtreders te bestraffen, waaronder ook overtreders van gemeentelijke overlastbepalingen.

Het voorkomen en bestrijden van drugoverlast is nadrukkelijk onderdeel van de veiligheidsafspraken in het grote stedenbeleid. Mede voor dat beleid zijn door het kabinet voor de komende vier jaar extra gelden ter beschikking gesteld (in totaal 375 miljoen voor leefbaarheid en veiligheid tezamen). In dat kader is de afspraak gemaakt dat de grote vier het voortouw zullen nemen bij organiseren van een strakkere centrale regie op lokaal niveau teneinde een consequente en geïntegreerde aanpak te bewerkstelligen. De zorgsector, politie, justitie en reclassering zijn hier direct bij betrokken. Het budget voor de zorgvernieuwing gericht op de vermindering van drugoverlast, bedraagt in 1995 37 miljoen en zal vanaf het jaar 1996 worden opgehoogd met 12,5 miljoen (49,5 miljoen structureel).

Ter verzekering van de adequate uitvoering van de beleidsvoornemens van rijksoverheid en grote steden met betrekking tot de veiligheid en de drugoverlast wordt een Interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg in het leven geroepen. Deze Task Force, bestaande uit gemandateerde coördinatoren van rijk en gemeenten, heeft tot taak de spoedige uitvoering van de in deze nota met betrekking tot drugoverlast neergelegde beleidsvoornemens te bewaken en waar vertragingen dreigen bij rijk of gemeente de betrokken gemeentebesturen en bewindspersonen te adviseren.

In navolging van de succesvolle politiële operatie Victor die dit jaar in Rotterdam plaatsvond wordt blijvend politie- en detentiecapaciteit gereserveerd voor de gerichte opsporing van Nederlandse en buitenlandse drugverslaafden die overlast veroorzaken. Wegens criminaliteit gearresteerde buitenlandse verslaafden zullen zo nodig direct worden uitgezet, ook indien het EU-onderdanen betreft. De samenwerking met politiële en justitiële autoriteiten in het naburige buitenland zal worden geïntensiveerd. Mede in EU-verband zal worden bevorderd dat de verslavingszorg in relevante landen wordt verbeterd zodat de Nederlandse rechters meer mogelijkheden krijgen voor de plaatsing van buitenlandse verslaafden in verslavingsklinieken e.d. in hun land van herkomst.

Door de Minister van Binnenlandse Zaken zal een wetsvoorstel worden ingediend ter verruiming van de mogelijkheden voor de gemeenten om woningen van waaruit in drugs wordt gehandeld, te sluiten. Op meerdere plaatsen in het land zullen, in navolging van het Amsterdamse voorbeeld, meldpunten drugoverlast worden ingesteld met bemiddelende en informatievergarende functies.

De intramurale zorg heeft tot nu toe bijna volledig in het teken gestaan van het streven naar abstinentie (het geheel en blijvend drugvrij worden van de cliënt). Voor de meeste verslaafden is die doelstelling zeker op de korte termijn te hoog gegrepen. Ook de intramurale zorg zal vaker als nevendoelstelling of zelfs hoofddoelstelling een verbetering van de mate van sociale aangepastheid moeten kiezen. Waar nodig en mogelijk zal daarvoor een strafrechtelijke titel worden gehanteerd.

In 1996 zal een forensische verslavingskliniek worden geopend. Deze kliniek is bestemd voor verslaafden die ernstige delicten hebben gepleegd en intensieve zorg behoeven. De kliniek zal uiteindelijk 70 plaatsen bezitten.

In het kader van het reeds ingezette beleid gericht op de vermindering van overlast, zal tevens meer ruimte worden gecreëerd voor zogenoemde dwang- en drangprojecten die ten doel hebben voor verslaafden die betrekkelijk ernstige misdrijven hebben gepleegd de dreiging van detentie te gebruiken als prikkel om te beginnen met een intramurale of ook ambulante behandeling. Vormen van intensieve begeleiding door de reclassering met controle op de naleving van voorwaarden sluiten hier op aan. De Minister van Justitie zal in overleg met het openbaar ministerie hiervoor 500 van de in 1996 extra beschikbaar komende cellen bestemmen.

In het kader van het grote stedenbeleid zullen een of meer proefnemingen plaatsvinden met de plaatsing van verslaafden die vanwege het plegen van reeksen lichte (vermogens)-delicten en/of agressief gedrag ernstig overlast veroorzaken, in een bewaringssituatie waarbinnen wordt gewerkt aan hun sociale reïntegratie. De eerder genoemde Interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg heeft tot taak dit te verwezenlijken. Plaatsing in deze inrichting voor de opvang van verslaafden zal vooralsnog geschieden op basis van een voorwaarde bij de schorsing van de preventieve hechtenis.

Teneinde voor deze aanpak een toegesneden juridische basis te creëren, wordt door de Minister van Justitie een wetsvoorstel ingediend voor de strafrechtelijke maatregel opvang verslaafden, deels naar analogie van de in onbruik geraakte strafrechtelijke plaatsing in een rijkswerkinrichting van bedelaars en landlopers. Deze gedwongen opvang zal door de rechter kunnen worden opgelegd voor minimaal drie maanden en maximaal een of twee jaar. In het opleidings- en werkervaringsprogramma zal worden voorzien door de gemeenten. De gemeentebesturen van de grote vier steden hebben hun volle medewerking toegezegd aan de realisatie van deze plannen. De gemeentebesturen van Rotterdam en Amsterdam hebben zich tevens reeds bereid verklaard tot medefinanciering. Begonnen zal worden met een experiment in de gemeente Rotterdam met ongeveer 100 plaatsen. De Task Force zal voorstellen voorbereiden voor uitbreiding van de experimenten elders tot minimaal 300 plaatsen, waarvan in ieder geval 100 ter beschikking van Amsterdam.

Experiment heroïneverstrekking

Het kabinet heeft met waardering kennis genomen van het advies van de Gezondheidsraad met betrekking tot de verstrekking van heroïne en andere opiaten op medische indicatie. Wij zullen in overleg treden met de hierin geïnteresseerde gemeentebesturen over de uitvoering van een of meer kleinschalige experimenten op strikt medische grondslag. De doelstelling van de verstrekking is de verbetering van de medische en sociale conditie van de verslaafden. Positieve effecten op de criminaliteits- en overlastproblematiek zijn te beschouwen als hoogst gewenste neveneffecten. In de evaluatie zal ook op deze aspecten worden gelet. Begonnen zal worden met een pilotstudie met betrekking tot maximaal 50 verslaafden.

Strafrechtelijke bestrijding van de drughandel

Voortgegaan zal worden met een krachtige strafrechtelijke aanpak van de handel in hard-drugs. De samenwerking met het buitenland zal worden geïntensiveerd. Het landelijke rechercheteam zal mede tot taak krijgen medewerking te verlenen aan buitenlandse opsporingsonderzoeken. De doelstellingen van deze strafrechtelijke aanpak zijn het instandhouden van zo hoog mogelijke financiële en sociale drempels voor het gebruik van hard-drugs en het tegengaan van de betrokkenheid van Nederland en Nederlanders bij de internationale handel daarin. De verkoop van hard-drugs aan scholieren zal zwaar worden bestraft. Meer prioriteit zal worden gegeven aan de opsporing van de leidende figuren achter de lokale handel in hard-drugs (het zgn. middenniveau).

De strafrechtelijke aanpak van de georganiseerde misdaad vergt van de Nederlandse overheid en samenleving in het algemeen grote offers. Het kabinet acht het gezien de ernst van de huidige situatie onvermijdelijk dat deze offers worden gebracht. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken zullen ten spoedigste na de afronding van de parlementaire enquête naar de georganiseerde misdaad een geactualiseerd plan van aanpak voor de georganiseerde misdaad aan de Tweede Kamer voorleggen.

Coffeeshops

Op grond van een richtlijn van het openbaar ministerie geniet de verkoop van soft-drugs in bepaalde (droge) horeca-inrichtingen onder strikte voorwaarden geen opsporingsprioriteit. De bonafide coffeeshops hebben bewezen een bijdrage te leveren aan de afscherming van soft-druggebruikers tegen de wereld van de hard-drugs. Het strafrechtelijke gedoogbeleid zal derhalve worden gecontinueerd. De de facto reeds bestaande praktijk dat exploitanten die zich aan de gestelde voorwaarden houden, geen vervolging te duchten hebben wegens het bezit van enkele honderden grammen cannabis ten behoeve van de verkoop in hun shop wordt in de OM-richtlijn geformaliseerd.

De verkoop van hard-drugs binnen de shops staat haaks op de centrale doelstelling van het coffeeshopbeleid. Hiertegen zal dus steeds krachtig straf- en bestuursrechtelijk worden opgetreden.

De coffeeshops behoeven inmiddels een betere bestuurlijke inbedding. Het lokaal bestuur dient ervoor zorg te dragen dat, gezien de verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid, deze lokaties zodanig gevestigd zijn en geëxploiteerd worden, dat daarvan zo min mogelijk overlast uitgaat. In de beperking tot een bepaalde categorie lokaties, namelijk horeca-inrichtingen waarbinnen geen alcohol wordt geschonken en geen gokkasten staan opgesteld, schuilt de mogelijkheid van een lokaal handhaafbaar openbare orde beleid. Ook overigens is nadere (lokale) regelgeving gewenst teneinde de preventieve toetsing van vestigingen te kunnen aanscherpen, zowel qua inrichting als ten aanzien van de ondernemer, bedrijfsleider en beheerder. Personen met strafrechtelijke antecedenten komen daarvoor niet in aanmerking.

Dergelijke aangepaste regelgeving en de extra inspanningen gericht op de handhaving ervan zullen bijdragen aan de regulering van het instituut van de coffeeshop. De handhaving vraagt om concrete afspraken tussen gemeentebesturen, politie en het openbaar ministerie in het driehoeksoverleg. Inmiddels is in de meeste grotere gemeenten reeds besloten dat het aantal coffeeshops drastisch zal worden teruggebracht, in veel gevallen tot minder de helft van het huidige aantal. Het kabinet steunt deze saneringsoperatie. In de nabijheid van scholen zullen in het geheel geen coffeeshops meer worden toegelaten. In beginsel kan het driehoeksoverleg in een bepaalde gemeente waar geen reële vraag naar zo'n verkooppunt bestaat, kiezen voor de nuloptie.

In het kader van de algemene herziening van de Drank- en Horecawet zullen de mogelijkheden voor gemeenten voor de weigering, het vervallen en intrekking van genoemde vergunningen worden vergroot.

De eerder genoemde Task Force Veiligheid en Verslavingszorg zal ten behoeve van de gemeentebesturen, de politie, het openbaar ministerie en het onderwijs een expertisebureau instellen met betrekking tot de bestuurlijke en justitiële aspecten van het drugbeleid, waaronder de regulering van de coffeeshops.

De gedoogde verkoop van soft-drugs in coffeeshops zal worden beperkt tot een maximum van 5 gram per klant. Coffeeshopexploitanten die zich toeleggen op het verkopen van kennelijk voor de export bestemde gebruikersvoorraden soft-drugs zullen waar mogelijk worden vervolgd wegens het medeplegen van het misdrijf van grensoverschrijdende handel. Buitenlanders die handelsvoorraden uitvoeren naar hun eigen land zullen ter afschrikking van anderen periodiek gericht worden opgespoord. Hiervoor zal zo nodig de medewerking worden ingeroepen van de buitenlandse autoriteiten. Door deze bijstellingen van de richtlijn wordt de export van gebruikersvoorraden soft-drugs naar naburige landen afgeremd.

De opkomst van de in eigen land geteelde nederwiet vraagt om een duidelijke beleidslijn. De Minister van Justitie zal een wetsvoorstel indienen voor de verhoging van het wettelijke strafmaximum voor de teelt van cannabis van twee tot vier jaar gevangenisstraf. Bij de opsporing en vervolging van de teelt van nederwiet zal prioriteit worden gegeven aan de grootschalige, professionele teelt. Hiermee wordt tegengegaan dat nederwiet een exportprodukt wordt. De huisteelt door meerderjarigen van kleine partijen nederwiet, die valt binnen door het lokale driehoeksoverleg vast te stellen voorwaarden, krijgt geen prioriteit bij de opsporing en vervolging.

Wij beschouwen de hier geschetste geïntegreerde, bestuurs- en strafrechtelijke aanpak als een belangrijke verbetering in de aanpak van de coffeeshops. Dit zal er ook toe kunnen bijdragen dat de invloed van criminele organisaties op de shops wordt verzwakt. Dit laatste zal in de komende jaren als toetssteen voor het coffeeshopbeleid worden gehanteerd.

Onderzoek en statistiek

De Europese Unie heeft initiatieven genomen om te komen tot een beter inzicht in de omvang en beweging van het gebruik van drugs in Europa. Hiertoe is in Lissabon het Europese Waarnemingscentrum met betrekking tot drugs en drugverslaving gevestigd.

Ook door de verschillende instituten van de VN en door de Raad van Europa (Pompidougroep) worden regelmatig studies hiernaar verricht. De Nederlandse regering hecht veel waarde aan het beschikbaar komen van betere en vergelijkbare statistische en onderzoeksgegevens over druggebruik. Mede op basis hiervan kunnen de effecten van het gevoerde beleid beter dan thans worden vastgesteld waardoor de discussie hierover een meer zakelijk karakter kan krijgen en minder wordt beheerst door a prioristische beelden en opvattingen. Mede langs deze weg zal naar verwachting geleidelijk meer begrip kunnen ontstaan voor de uitgangspunten en effecten van het Nederlandse drugbeleid. Het kabinet zal initiatieven nemen voor de uitbreiding van het statistische en wetenschappelijke programma met betrekking tot druggebruik, mede in het kader van de EU en de VN.

In het kader van de zorgvernieuwing, inclusief aspecten van overlast zal meer aandacht aan monitoring en evaluatie worden besteed, waaronder periodiek gebruikersonderzoek.

In samenwerking met de NeVIV is met kwaliteitsontwikkeling een aanvang gemaakt. Ook het evaluatieonderzoek naar preventieve maatregelen zal door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden bevorderd. Aan de Stichting Toekomstscenario's Gezondheidszorg is opdracht gegeven ook met betrekking tot de verslavingsproblematiek toekomstscenario's op te stellen*. Ook hierbij zal aandacht worden besteed aan de Europese context van de problematiek.

De evaluatie van het coffeeshopbeleid zal tevens betrekking hebben op de daadwerkelijke realisering van de scheiding van de markten voor soft- en harddrugs, de effecten van het gemeentelijk beleid met betrekking tot overlastbeperking en op de betrokkenheid van criminele organisaties bij (de toelevering aan) de shops.

Ten slotte

Wij hebben niet de illusie dat met deze nota voor een lange reeks van jaren een gedetailleerde blauwdruk is neergelegd voor het Nederlandse drugbeleid. Het druggebruik is permanent aan verandering onderhevig. Een pragmatisch, dat wil zeggen op feitelijke resultaten gericht beleid dient daarom flexibel te zijn. Wij zijn van oordeel dat met deze nota, op basis van een objectieve analyse van de stand van zaken, een koers voor het Nederlandse drugbeleid is uitgezet die constructief en realistisch is en op een evenwichtige tegemoet komt aan de in binnen- en buitenland levende bezwaren. Het thans uitgestippelde beleid is erop gericht het specifiek Nederlandse, humane en op sociale integratie van de gebruikers gerichte beleid te continueren terwijl aan de maatschappelijke uitwassen van de drugproblematiek paal en perk wordt gesteld. Op onderdelen bevat het voorgenomen beleid wellicht nog inconsistenties. Bedacht moet worden dat het drugbeleid geen oefening in de logica is maar in het binnen de geldende verdragsrechtelijke kaders beheersbaar houden van een hardnekkige en veelkoppige problematiek die onderhevig is aan de invloed van zich snel wijzigende maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in binnen- en buitenland.

Zowel het druggebruik als het drugbeleid zijn ook internationaal sterk in beweging. Het nu uitgestippelde beleid bouwt voort op de in voorgaande jaren gelegde fundamenten en biedt tegelijkertijd mogelijkheden om snel in te spelen op nieuwe nationale en internationale ontwikkelingen. Met deze nota wordt in onze ogen ten aanzien van het drugbeleid een verantwoorde stap vooruit gezet.




Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24077, nrs. 2-3
© Ministerie VWS